home       hoofdstukken       archeoregio's       periodes       thema's             links
lezingen       contact       vlag       

De leeswijzer

In ieder hoofdstuk van de NOaA wordt in principe een onderscheid gemaakt tussen

  1. een inleidend deel (deel 1),
  2. een deel waarin de auteurs een aantal thema’s presenteren die in hun ogen richtinggevend (zouden moeten) zijn voor het huidige en toekomstige onderzoek (deel 2) ,
  3. een deel waarin wordt aangegeven hoe de gepresenteerde thema’s kunnen worden geoperationaliseerd in uitvoerend onderzoek (deel 3). Dit deel is volgens een aantal vaste subthema’s onderverdeeld (zie onder).

Niet ieder hoofdstuk van de NOaA leent zich voor deze ordening. Dit geldt met name voor de hoofdstukken waarin een specifieke onderzoeksmethode centraal staat, zoals archeologische prospectie of luminescentiedatering. In die gevallen is gekozen voor een andere indeling.

 

WIJZE VAN CITEREN

In tekst, noot of literatuurlijst altijd naar de PDF-versie van een tekst, bijvoorbeeld: Auteur(s), 2006, titel hoofdstuk, NOaA + hoofdstuknummer + (versienummer), (www.noaa.nl), pagina(‘s).

Gerritsen, F. , Jongste, P. & Theunissen, L., 2006: De late prehistorie in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland en het rivierengebied, NOaA hoofdstuk 17 (versie 1.0), (www.noaa.nl), pag.nrs.

 

Ad 1 Inleiding m.b.t. de stand van onderzoek

In het inleidende deel wordt aandacht besteed aan de onderzoeksgeschiedenis en de huidige stand van onderzoek. Het beschrijft in het kort de thema’s die in het verleden een dominante rol hebben gespeeld in het onderzoek in de betreffende (archeo-)regio1, periode en/of specialisme. Het beschrijft tevens welke consequenties dat had voor de keuzes m.b.t. het object van studie en voor de gekozen methoden en technieken. In dit deel komen dus die wetenschapshistorische zaken aan bod die bepalend zijn geweest voor de huidige stand van onderzoek. In aansluiting op deze historische schets wordt een beeld gegeven van de huidige vraagstellingen en de organisatorische inbedding van het lopende onderzoek. Tot slot wordt aangeven - weer op thematisch niveau - in welke richting het onderzoek zich ontwikkelt of zou moeten ontwikkelen.

 

Ad 2 (Inter-)nationale onderzoeksthema’s

In het tweede deel wordt een onderbouwde keuze gepresenteerd van de belangrijkste (inter-)nationale onderzoeksthema’s en de wetenschappelijke potentie ervan. Deze keuzes zijn door de auteurs van het betreffende hoofdstuk gemaakt, in nauwe samenspraak met hun collega’s en meelezers. Zij zijn bedoeld een spraakmakende bijdrage te leveren aan het debat. Het gaat in deel 2 om een algemene bespreking van thema’s (een visie) die daarna in deel 3 op uitvoerend niveau verder uitgewerkt worden. De invulling van dit deel is sterk periode- en onderwerp-afhankelijk.

Ad 3 Archeologische verschijningsvormen

In het derde deel worden de thema’s concreet uitgewerkt. Het betreft een beschrijving van archeologische fenomenen en een concrete vertaling van de in deel 2 geformuleerde thema’s naar de praktijk. Hier biedt de NOaA concrete aanknopingspunten voor onderzoek. Juist dit deel is dan ook een belangrijke inspiratiebron bij het opstellen van PvE’s en PvA’s. Daarom wordt in dit deel expliciet aangegeven waar de aandachtsgebieden liggen, wat de state of the art problemen zijn en wat de concrete vragen zijn in de zin van operationalisering. In dit laatste deel komen ook de beschikbare datasets en de lacunes aan bod.

In principe is deel 3 in ieder hoofdstuk onderverdeeld in een aantal vaste onderwerpen (3.1 - 3.11):

  • 3.1 Regio- of periode specifieke geo-genese en wordingsgeschiedenis
  • 3.2 Toenmalig cultuurlandschap (infrastructuur, vegetatie, bodemvorming specifiek voor periode)
  • 3.3 Relevante post-depositionele processen (conserverings- en degradatieprocessen)
  • 3.4 Methoden en technieken
  • 3.5 Chronologie (problemen en vooruitgang, resolutie, gidscategorieën)
  • 3.6 Lokale gemeenschap (bewoning, begraving, depositie, context, locatiekeuze)
  • 3.7 Boven-lokale gemeenschappen (centrale plaatsen, cultusplaatsen, deposities, uitwisseling, steden, militaire structuren e.d.)
  • 3.8 Productie, distributie en consumptie van mobilia (materiële cultuur, verzameling en verwerking grondstoffen, materiële cultuurstudies, technologisch onderzoek)
  • 3.9 Productie, distributie en consumptie van voedsel
  • 3.10 Archeologische monumentenzorg (vormen van waardering, selectie en monitoring; ook een geprioriteerde lijst m.b.t. de uitwerking van oud, niet gepubliceerd, onderzoek)
  • 3.11 De staat van het bodemarchief (o.a. een beschrijving van de processen van beschadiging sinds de periode van depositie t/m nu die het archeologisch erfgoed in het verleden opgelopen en wat dit betekent voor de keuzes voor behoud in de toekomst)

 

 

 




 Noten


{1] Een “archeoregio” is een gebied waarbinnen zowel sprake is van een globaal verband tussen landschap en bewoningsgeschiedenis als tussen landschapsvormende processen en het ontstaan van archeologische vindplaatsen, en het bodemarchief in het algemeen. Zie: Lauwerier, R.C.G.M., & R.M. Lotte (eds.) 2002: Archeologiebalans 2002, Amersfoort.