Deel 1 De stand van het dendrochronologisch onderzoek in Nederland
1.1 Inleiding en opzet
[ 1 ] In dit hoofdstuk is commentaar
verwerkt van B. van Geel (UvA), J. van der Plicht (RUG), H. Kamermans (UL)
en J. Wallinga (NCL). De gepresenteerde gegevens zijn mede aangeleverd door
E. Hanraets en T. Vernimmen (RING). [ 2 ] Alleen
de wijze van monstername varieert per type erfgoed. Zie hiervoor 3.4.1.
De mogelijkheden voor datering van houten structuren en objecten zijn
de afgelopen twee decennia sterk verbeterd dankzij de ontwikkeling
van de dendrochronologie. 1 Waar eerder vooral vindplaatsgerichte
waarnemingen gedaan werden, is het nu mogelijk uitspraken te doen over de
eventuele gelijktijdigheid van fenomenen binnen groepen van vindplaatsen.
Dendrochronologie is een niet-periodegebonden methode die toepasbaar is voor
de datering van verschillende soorten erfgoed dat (geheel of gedeeltelijk)
uit hout bestaat. In methodologisch opzicht maakt het voor de dendrochronologie
dus niet uit of het onderzoek wordt verricht aan archeologisch,
bouwhistorisch dan wel roerend erfgoed (mobilia). 2
[ 3 ] Voor andere vraagstellingen en toepassingen,
zie Schweingruber 1988, Cook & Kairiukstis 1990 en de website van H.D.
Grissino-Mayer ((http://web.utk.edu/~grissino/).
Dendrochronologie wordt echter ook ingezet voor andere toepassingen
dan datering. Wij beperken ons in dit hoofdstuk tot vraagstellingen en toepassingen die relevant zijn binnen het cultuurhistorische veld
(zie tabel 3.1), 3 te
weten:
- daterende dendrochronologie;
- herkomstbepaling;
- landschapsgeschiedenis en bosexploitatie;
- ijking van de 14C-tijdschaal;
- dendroklimatologie.

Tabel 3.1 Toepassingen, variabelen en technieken binnen de dendrochronologie
klik hier voor een vergroting van tabel 3.1.
In 1.2 worden de genoemde toepassingen kort besproken. In 1.3 staat
de organisatie van het dendrochronologisch onderzoek centraal. De rest van
deel 1 is gewijd aan een uitgebreid overzicht van de huidige stand van zaken
in de daterende dendrochronologie in Nederland. In deel 2 worden belangrijke
dendrochronologische onderzoeksthema’s voor de komende jaren geformuleerd.
In deel 3 worden deze thema’s concreet uitgewerkt. Dit gebeurt door de bespreking
van de meest gangbare soorten archeologische vondsten die in aanmerking komen
voor dendrochronologisch onderzoek, inclusief de daarvoor relevante vraagstellingen
en de bijbehorende strategieën voor optimale monstername. De indeling in paragrafen
wijkt daarbij enigszins af van wat gebruikelijk is in deel 3 van de meeste
andere NOaA-hoofdstukken.

|