Geavanceerd zoeken

Start       Leeswijzer              Archeoregio's         Periodes         Thema's         Hoofdstukken home contact

Deel 3 Archeologische verschijningsvormen

3.9 Archeologische monumentenzorg en de staat van het bodemarchief

De notie ‘reserveren voor toekomstig onderzoek’ die als één van de doelen van de AMZ werd uitgedragen door de afdeling Monumentenzorg van de ROB onder Klok, heeft in feite niets aan zeggingskracht ingeboet. In het licht van de NOaA is deze notie eenvoudig om te buigen naar het cyclische proces van de AMZ: ‘kennen om te kunnen beheren’. Dat vergt toegespitst onderzoek, niet in de zin van eigen criteria voor veldonderzoek, maar thematisch onderzoek naar vraagstukken die in het klassieke (terpen)onderzoek niet aan de orde werden gesteld. De mate waarin en de manier waarop informatie verdwijnt, is thans de hoofdvraag. Daaronder hangen tal van deelthema’s, zoals oppervlakkige erosie door het reguliere agrarische gebruik (watererosie, winderosie, geleidelijke vervlakking van het reliëf, insporing), uitdroging als gevolg van peilverlagingen en teeltmethoden, uitzakking van steilranden van terpen, verzuring van de bodem als gevolg van mestinjectie, schaalvergroting, regelgeving die ten koste gaat van het bodemarchief (ondergrondse mestopslag op terpen), maar ook deformatie van sporen als gevolg van druk- en zettingsverschillen van afdekkende pakketten. Het betreft een waaier van thema’s waarvan de onderlinge samenhang nog goeddeels onbekend is.296 [296] Zie echter Bos & Gerrets 1999. Gericht onderzoek naar deze deelthema’s dient steeds in de bredere context van aanpalende vraagstukken beschouwd en beoordeeld te worden.

In haar streven de erosie van terpen te keren startte de provincie Groningen in 1994 het project Wierden en waarden. Inmiddels is ervaring opgedaan met oppervlakkige erosiebestrijding door de toepassing van andere teeltmethoden, met aanvulling van afgegraven terpsectoren (ter bestrijding van uitdroging en uitzakking van steilranden maar ook uit oogpunt van landschapsherstel), met consolidatie van structuurkenmerken op terpen om de schaalbeleving te waarborgen en met voorlichting aan gebruikers en streekbewoners om het maatschappelijk draagvlak te verbreden. Tevens werd de waterhuishouding van een drietal terpen over een lange periode onderzocht. De grondwaterstand in een terp blijkt in hoge mate gerelateerd aan het regionale peil; schijngrondwaterspiegels zijn gerelateerd aan het voorkomen van mestlagen. Verdrogende effecten blijken niet alleen te worden veroorzaakt door bomen, maar ook door permanent grasland - hetgeen een nieuw gezichtspunt voor het beheer opleverde. Zo vertoonde Beswerd, een hoge en gave terp gelegen in grasland, een sterk gehomogeniseerd profiel; de terp bevat daardoor veel minder archeologische informatie dan op grond van de intacte vorm en hoogte werd gedacht.297 [297] IWACO 1999; Groenendijk in voorbereiding.

In West-Nederland, en vooral in het holocene gebied, vindt op dit moment onderzoek plaats van botanische resten dat zich richt op de omstandigheden en snelheden waaronder dergelijk materiaal in verschillende milieu’s en milieu-wisselingen ‘degradeert’.298 [298] Van Heeringen & Theunissen 2003; Van Heeringen, Mauro & Smit 2004; Van Heeringen, Smit & Theunissen 2004. Voor Noord-Nederland is dergelijk onderzoek nog niet uitgevoerd. De conservering van organisch materiaal in de terpen kan uitermate goed zijn, zoals uit botanisch onderzoek in vroegere opgravingen kan worden afgeleid. Het verdient zeker aanbeveling om ook voor het noordelijke holocene gebied een begin te maken met onderzoek naar conservering (en naar degradatie door middel van monitoring).

Het hydrologische onderzoek maakt thans een ‘doorstart’ in het pilot-onderzoek van de terp Wierum door Van Heeringen en Smit. Hier wordt de relatie onderzocht tussen vochthuishouding, de samenstelling van het grondwater en de stabiliteit van sporen en objecten van organische oorsprong.

Voor Noord-Nederland is een aantal specifieke AMZ-kwesties aan te wijzen:

  1. Grootschalige bouw van stallen op (huis)terpen en kleinschalige bouw binnen dorpsterpen. Wat zich hier wreekt is de strijdigheid van wet- en regelgeving: het betreft enerzijds monumenten die structurele bescherming verdienen, anderzijds wordt alleen in de nabijheid van oude bebouwing nieuwbouw toegestaan. In de meeste gevallen wordt het primaat toegekend aan de ruimtelijke ordening. Dat komt mede omdat bij bouwingrepen op terpen meestal sprake is van een (zeer) scheve verhouding tussen de (in bouweconomische zin) relatief kleine ingreep enerzijds en de relatief omvangrijke vernietiging van archeologica en kosten van archeologisch onderzoek anderzijds. Uit de praktijk blijkt dat dergelijke kleine onderzoekingen voor commerciële archeologische partijen niet interessant zijn; in veel gevallen zijn kleine private investeerders moeilijk tot volledige en tijdige betaling te bewegen.
  2. De bebouwing of afdekking (inclusief ‘aanvulling’ in het kader van het storten van grond) van vaak onbeschermde terpzolen. In de laatste tien jaar hebben veel gemeenten hun oog laten vallen op terpzolen als geschikte locatie voor kleinschalige dorpsbebouwing. Deze terpzolen zijn weliswaar in de meeste gevallen onbeschermd (bebouwing is dus mogelijk) maar ze zijn meestal niet vrij van archeologische waarden. Sinds het einde van de jaren negentig zijn de afgegraven delen van terpen ook in beeld gekomen voor de inrichting van slibdepots: de stort van slib wordt gezien als een mogelijkheid tot de reconstructie van oude terpmassa. Het is onbekend wat de effecten zijn van de deponering van slib op onderliggende terplagen.
  3. Intensieve agrarische exploitatie van terpen in akkerbouwgebieden. In het verleden had het archeologisch erfgoed ‘last’van grootschalige ruilverkavelingen; door de samenvoeging van percelen verdween de voor de terpen karakteristieke percelering (terpsloten!) nogal eens en onstonden er mogelijkheden voor nivellering van hoogtes door grootschalig ploegen. De samenvoeging van percelen lijkt ook los van ruilverkavelingen door te gaan. Daar komt bij dat door de verzwaring van het landbouwwerktuig onverstoorde vondstlagen steeds meer en dieper worden aangeploegd. Ook de teelt van diepwortelende gewassen, de run-off van hemelwater, de verzuring als gevolg van bemesting gaan ten koste van het archeologisch erfgoed. Het agrarische gebruik van terpen en hun omgeving behelst met andere woorden een veelheid aan kleinschalige ingrepen; de optelsom betekent echter een forse aanslag op de archeologische resten.
  4. De systematische onbekendheid met afgedekte vindplaatsen. Het wordt steeds duidelijker dat een belangrijk deel van het archeologisch erfgoed in Noord-Nederland zich buiten de terpen bevindt, dat wil zeggen tussen de terpen en buiten het eigenlijke terpengebied. In verschillende gebieden is sprake van de overslibbing van oude landschappen. Deze dienen met grote aandacht en speciale middelen ‘geprospecteerd’ te worden.
  5. Sporen en lagen verliezen hun herkenbaarheid snel door onttrekking van water. Langs steilkanten van terpen is sprake van deformatie door zwel en krimp. Er is behoefte aan het kennen van terpen die nog in een goede conditie verkeren; vermoedelijk is de zogeheten ‘Ezinge-kwaliteit’ niet vanzelfsprekend (of wellicht niet meer haalbaar). Welke terpen hebben vanwege hun matrix betere of slechtere bewaarcondities?
  6. Er worden weliswaar in absolute en relatieve zin veel terpen beschermd, maar de bescherming is onevenwichtig verdeeld over het terpengebied en over de verschillende terpentypen.
  7. Specifieke problematiek van niet-afgedekte veengebieden. Veengebieden waarvan het oppervlak al eeuwen aan oxidatie onderhevig is, zijn hun ‘archeologische top’ kwijtgeraakt. Grondsporen zijn door oxidatie verdwenen of door volume-afname van het veen in verticale schaal sterk gereduceerd. Wat overblijft is vaak een residu aan aardewerk en overig minder vergankelijk materiaal (reductie tot contextloze vondstcomplexen). Toch bieden deze vindplaatsen nog voldoende mogelijkheden voor onderzoek: ten eerste voor ruimtelijke analyse omdat - gemeten naar postdepositionele processen - het slepen met grond in veengebieden maar weinig voorkomt; ten tweede door grondsporen in het profiel af te lezen (vaststellen hoe hoog het oorspronkelijke oppervlak ooit lag en te bepalen van welke niveau de eventuele nederzettingsresten afkomstig zijn).
  8. Aangepaste waardering. In het waarderings- en selectiebeleid voor deze regio moet kritisch omgesprongen worden met het criterium ‘gaafheid’ omdat - gelet op de stand van onderzoek en de geringe schaal van ingrepen – ook vindplaatsen die niet integraal bewaard zijn gebleven grote waarde hebben.




terug InhoudLiteratuur vooruit