Deel 3 Archeologische verschijningsvormen3.8 Productie, distributie en consumptie van mobilia
3.8.1 Productie van voedsel
De functie van Middelstum-Boerdamsterweg als stapelplaats voor onder
andere graan is uniek voor de late prehistorie van ons land. Zoals al eerder
vermeld (2.6; 3.7.1) resteren echter nog belangrijke vragen, met name over
de plaats van herkomst van het opgeslagen graan. Om hier meer inzicht te verkrijgen
is onderzoek van gelijktijdige nederzettingen (uit de Midden-IJzertijd) vereist,
zowel van het kweldergebied als van de aangrenzende pleistocene zandgronden.
Weliswaar heeft Van Zeist gegevens gepubliceerd van enkele vindplaatsen uit
het noordelijke kweldergebied (Leeuwarden, Tritsum en Ezinge) met resten uit
de Midden-IJzertijd, maar hierbij blijkt nauwelijks sprake te zijn van resten
van verkoolde granen. Opmerkelijk is het regelmatige voorkomen van lijnzaad
in deze vindplaatsen - een gewas dat blijkens de akkerbouwexperimenten op
de Groninger kwelders ook in dergelijke milieus een redelijke
opbrengst oplevert.287 [287] Van Zeist et al. 1976;
Bottema et al. 1980. Onderzoek van voedselvoorraden
uit opslagcontext zou ons belangrijk verder kunnen helpen bij het ontrafelen
van distributiekanalen van stapelvoedselgewassen. Om de betekenis van de geografische
positie van Middelstum-Boerdamsterweg te kunnen begrijpen is ook een gedegen
landschapsanalyse noodzakelijk. Voor de gehele behandelde periode zou vervolgens
gekeken moeten worden naar de veranderende ecologische omstandigheden en de
sociale context die de werkhypothese ‘stapelplaats’ al dan niet rechtvaardigen. Voor het onderzoek van diatomeeën, pollen, zaden en botten ligt er
een bijzondere opgave. In het verleden was dergelijk onderzoek vaak betrekkelijk
plicht- en routinematig. Hoe kunnen we zorgen voor een integrale onderzoeksopzet?
In het ene geval kan dat betekenen dat dergelijk onderzoek
flink ‘opgetuigd’ dient te worden288 [288] Nieuwhof 2001. (zeker als het aansluit op langlopende onderzoekstradities), in andere
gevallen is juist het tegenovergestelde gewenst: we moeten er voor waken dat
niet steeds weer dezelfde open deuren worden ingetrapt of dezelfde vragen
beantwoord worden. Ook noodzakelijk is een goede monstername: deze dient zich
te concentreren op sporen die goed te dateren zijn; van deze sporen moeten
ook zeefmonsters genomen worden zodat ook het kleinere botmateriaal (vogels,
vis, etc.) teruggevonden wordt. Bij pollenonderzoek is het risico van vertekeningen als gevolg van
verspoeld en intrusief materiaal zeer groot; hier past dan
ook terughoudendheid.289 [289] Een bijkomend probleem is dat er
bij veel kleinere ontsluitingen wel onderzoekskansen zijn, maar te weinig
middelen om dit relatief dure onderzoek mogelijk te maken. Het
onderzoek van macroresten biedt meer perspectief, hoewel men ook daar bedacht
moet zijn op genoemde nadelige effecten. Desondanks valt met deze vertekening
goed te leven.
3.8.2 Ambachtelijke productie
Van oudsher gaat de belangstelling van archeologen vooral uit naar
aardewerk. Tot voor kort lag de nadruk daarbij vooral op typochronologische
kwesties. Verhoevens studie uit 1996 over het kogelpotaardewerk
heeft met deze traditie gebroken.290 [290] Verhoeven 1996. Andere materiaalcategorieën zijn stiefmoederlijk behandeld. Een uitzondering is de productie en het gebruik van been en gewei.291 [291] Roes 1963. Zie Tempel 1970 voor kammen uit Haithabu. Sinds de studie van Roes is enig aanvullend onderzoek
gedaan.292 [292] Halici 1997; Kramer & Prummel 2000. Miedema schenkt in haar regionale overzichten ruim
aandacht aan de verschillende materiaalcategorieën.293 [293] Miedema
1983; 1989; 1990; 1999/2000. De vraag is in welke mate voorwerpen
van been en gewei reeds in de Romeinse IJzertijd werden geproduceerd in het
terpengebied. Werd de grondstof ingevoerd - en zo ja, van waar? - of lokaal
verzameld? Een vergelijkende studie waarin goed gedateerd materiaal een hoofdrol
speelt zou welkom zijn. Zo’n studie zou als uitgangspunt kunnen dienen voor
een vergelijking met andere regio’s. De categorie persoonlijke sieraden leent zich nog beter voor interregionale
studies. De veronderstelling dat kostbare stukken in middeleeuws Oosterlauwers
Friesland pas later opduiken dan in Westerlauwers Friesland, is nog niet onderbouwd.
Er is binnen Groningen nog geen zicht op verschillen per deelregio. Een aanzet vormt de voorgenomen presentatie van recente metaalvondsten
per wierde in Groningen.294 [294] Groenendijk, Molema & Tulp
2000. Veel vondstmateriaal is ongepubliceerd;295 [295] De uitzondering op de regel: Romeinse munten. Zie Van der Vin 199;
1996; 1999 (cf. Bazelmans 2002). er bestaat
een grote behoefte aan vergelijkende studies van lokaal geproduceerde bulkgoederen
(aardewerk, fibulae, etc.). 

|