Deel 3 Archeologische verschijningsvormen3.7 Bovenlokale gemeenschappen
3.7.1 Centrale plaatsen238 [238] In
theoretische zin is vooral het werk van Hodges belangrijk: Hodges 1982; 1988;
1989.Prehistorie en Romeinse tijdDe kennis van centrale plaatsen in de (Romeinse) IJzertijd is uiterst
beperkt. In Noord-Nederland is hun aanwezigheid in de periode voorafgaand
aan de Volle Middeleeuwen nog niet overtuigend aangetoond. Op een enkele uitzondering
na zijn de meeste ons bekende nederzettingen vooral agrarisch van karakter.
Van die uitzonderingen is de eerdergenoemde vindplaats Middelstum-Boerdamsterweg
(gedateerd in de Midden-IJzertijd) de oudste (zie 2.6). Het grote aantal spiekers
duidt mogelijk op een vorm van centrale opslag en mogelijk ook op doorvoer
en/of redistributie en derhalve op een bijzondere functie van deze nederzetting.
Aangezien politiek en handel in stamsamenlevingen nauw met elkaar verweven
zijn, is het mogelijk dat de nederzetting ook op het politieke vlak een centrale
functie vervulde. Ook de versterkte nederzettingen uit Noord-Drenthe hebben gezien hun
nederzettingsstructuur en mogelijke aandeel in de uitwisseling tussen het
kustgebied en de zandgronden wellicht een bijzondere functie vervuld. Zij dateren uit de Late en Romeinse IJzertijd239 [239] Taayke
1996. en hebben in het kustgebied zelf tot dusver nog geen
tegenhangers. Toch is ook daar mogelijk sprake van centrale plaatsen - al
was het alleen maar omdat redistributie in (ontwikkelde) stamsamenlevingen
een belangrijke rol speelde en in de IJzertijd op tal van plaatsen buiten
het kustgebied tot bijzondere centra heeft geleid. Het is echter nog niet
duidelijk hoe centrale plaatsen in de kustgebieden er uit kunnen hebben gezien.
Redistributie kan, al dan niet in combinatie met strikt sociaal-politieke
bijeenkomsten, de nederzettingsstructuur ingrijpend beïnvloed hebben (bijv.
door de aanleg van vele spiekers, bijzondere gebouwen en omheiningen). Een
dergelijke aanpassing is echter geen must, zoals hieronder
voor de vroegmiddeleeuwse economie nader zal worden verduidelijkt. Een voorbeeld
van een meer bescheiden aanpassing biedt de terpnederzetting
van Feddersen Wierde240 [240] Haarnagel 1979. Zie echter Hiddink
1999, 115-122. in Duitsland: hier is een afwijkende schuur
op een van de grotere erven als aanwijzing opgevat voor een bijzondere functie
van deze relatief grote terpnederzetting. De schuur kan zijn gebruikt als
vergaderhal en zou als zodanig een indirecte aanwijzing vormen voor een centrale
functie. Toch zijn zelfs beperkte aanpassingen geen noodzaak. Economische,
sociale en politieke bijeenkomsten kunnen immers (zelfs op gewestelijk niveau)
hebben plaatsgevonden zonder archeologische sporen achter te laten. Ook op
deze problematiek wordt hieronder dieper ingegaan. Hier zij al vast opgemerkt
dat de kortstondigheid van de belangrijkste acties de materiële neerslag beperkt
heeft en dus ons zicht daarop blijvend nadelig beïnvloedt.
Wanneer centrale functies niet met meer langdurige fenomenen (zoals
overerfbare machts- en/of bezitsconcentratie) verbonden zijn, moet de mogelijkheid
worden overwogen dat de centrale functies steeds over kortere of langere afstand
verplaatst zijn - iets dat zeker denkbaar is in een veranderlijk landschap
als het kleigebied van Noord-Nederland. Bovendien was er van aparte zelfstandige
en permanente concentraties van handel en nijverheid nog geen sprake. Veel
vormen van handel en nijverheid werden in alle nederzettingen in deeltijd
uitgevoerd, mogelijk ook door reizende vaklieden. Permanente vormen van nijverheid
leidden tot bescheiden aanpassingen van agrarische erven, al dan niet verspreid
over de gehele nederzetting. In het kustgebied lijken vormen van nijverheid
zoals metaal- en textielbewerking ruimer verspreid te zijn geweest. Zij kunnen
dus nauwelijks worden gebruikt als aanwijzingen voor specialisatie op nederzettingsniveau.
Bovendien wijzen verschillen tussen erven uit verschillende nederzettingen
niet noodzakelijk op een centrale functie van de nederzetting met het ‘rijkere’
erf wanneer niet kan worden uitgesloten dat verschillen in rijkdom tot de
geconstateerde verschillen op erf-niveau hebben geleid. Afsluitend dient in dit verband nog de mogelijkheid worden genoemd
dat de tijdelijke militaire Romeinse aanwezigheid tot de vorming van centrale
plaatsen heeft geleid. Zo is de bijzondere concentratie van vroege Romeinse
importen in Winsum (Westergo) voor sommigen aanleiding geweest om deze nederzettingen
een militaire functie toe te dichten. Een en ander is vooralsnog echter niet
sluitend onderbouwd; de vergelijking met het Duitse Bentumersiel gaat waarschijnlijk
niet geheel op. Al met al kunnen we concluderen dat onderzoek naar centrale functies
in het kustgebied niet alleen vraagt om grootschalig onderzoek per nederzetting,
maar ook om onderzoek van de nabije omgeving van een mogelijke centrale plaats
en vooral ook om vergelijkende studie van een aantal representatieve
en gelijktijdige nederzettingen binnen hetzelfde gewest.241 [241] Ver
buiten nederzettingen gelegen plekken die als centrale plaats zijn gebruikt,
kunnen alleen bij toeval ontdekt worden (bijv. door intensieve metaaldetectie). De Vroege MiddeleeuwenOndanks hun bijzondere leefomstandigheden en intensieve contacten
waren de Friezen, net als de andere bewoners van Noordwest-Europa, voor voedsel
en de meeste andere primaire levensbehoeften hoofdzakelijk
aangewezen op hun directe omgeving.242 [242] De Langen 1992, m.n.
273-302 (hier ook verwijzingen naar de oudere opvatting dat de Friezen gedwongen
waren graan te importeren). Vgl. Behre 1984; Heidinga 1984; Reichstein 1984(b). In landschappelijk opzicht leken de gewesten van het terpengebied
nogal op elkaar; het is dan ook niet waarschijnlijk dat ze onderling veel
agrarische producten uitwisselden. Binnen de gewesten was
er echter wel sprake van verschillen: voor Oostergo kan onderscheid worden
gemaakt tussen de kwelderwal, de overgangsgebieden en de
lagere kwelder.243 [243] De Langen 1992, m.n. 44-67 en 280-298. Als gevolg van deze natuurlijke verschillen wisselden de bewoners
van de hoge kwelder, de overgangsgebieden en de lage kwelder onderling producten
uit. De drie gebieden lagen, gezien vanaf de kust, als smalle stroken achter
elkaar; een zeer lokale uitwisseling (ten hoogste 10-12 km) was dan ook voldoende
om aan de vraag te voldoen. Op grond daarvan mogen we aannemen dat er in vroegmiddeleeuws
Oostergo sprake was van verschillende economische groepen, die elk een deel
van de drie gebieden besloegen. Hoe groot deze groepen waren
is niet bekend.244 [244] De Langen 1992, 302-328. Ook de Oosterlauwerse kleistreek kende zulke afzonderlijke groepen.
Voor Westergo is dit minder makkelijk aan te tonen, maar ook daar gold dat
uitwisseling van agrarische producten op bijvoorbeeld een centrale gewestelijke
markt economisch minder aantrekkelijk was dan uitwisseling op kleine schaal.
De reikwijdte van deze kleine markten bleef evenwel niet constant, maar groeide
in de loop van de Vroege Middeleeuwen. Dit heeft te maken met het
feit dat de bewoning zich over een steeds groter gebied uitbreidde.245 [245] Knol, 1993. Vgl. De Langen 1992, m.n. 131-195. Voor vroege randveenontginning,
zie Niekus 2002. Bij deze vorm plaatselijke zelfvoorziening moeten drie kanttekeningen
worden gemaakt. Allereerst is het goed mogelijk dat bepaalde producten wel
degelijk op gewestelijke schaal werden verhandeld. Zo kan er een of meerdere
malen per jaar een gewestelijke veemarkt zijn gehouden.246 [246] Vgl. Hodges 1988. Ten tweede is het bovengeschetste
model zuiver economisch en dus onvolledig. Het houdt namelijk geen rekening
met de wens om sociale, culturele en/of politieke contacten te
onderhouden met streekgenoten die iets verder weg woonden.247 [247] Vgl.
Waterbolk 1979; Heidinga 1984; 1986; Theuws 1988. Een grootschaliger
markt kan (mede) zijn gestimuleerd doordat hij verweven was met zaken als
de huwelijksmarkt, volksfeesten en politieke bijeenkomsten. Ten derde impliceert
zelfvoorziening beslist niet dat er geen agrarische producten
over grotere afstand werden vervoerd;248 [248] Vgl. Niermeijer
1977. Voor graanimport in de Karolingische periode, zie ook noot 244. alleen was men niet afhankelijk van dergelijke voedselimporten. Dat
had zijn redenen: in de Vroege Middeleeuwen was de internationale handel een
fenomeen dat waarschijnlijk slechts enkele malen per jaar
plaatsvond en ongetwijfeld gering van volume was.249 [249] Verhulst
& De Bock-Doehaerd 1981, 190-193 en 196; Heidinga 1984; Van Es 1990, 169. Ondanks deze kanttekeningen moet de conclusie luiden dat de landschappelijke
situatie dusdanig was dat de handel in gewestelijke producten kon bestaan
zonder dat er sprake was van in handel en nijverheid gespecialiseerde nederzettingen. Het ontstaan van plaatselijke gespecialiseerde handelsnederzettingen
werd overigens ook belemmerd door het feit dat de handel over grotere afstand
in de Vroege Middeleeuwen anders gestructureerd was dan in
latere perioden.250 [250] Hodges 1977; 1982; 1989. Vgl. Kloos
1976; Sahlins 1976; Jankuhn 1980; 1984; Slicher van Bath 1980; Verhulst &
De Bock-Doehaerd 1981 en volgende noot. Een belangrijk deel
van de uitwisseling kwam namelijk niet tot stand door economische uitwisseling
tussen producent en consument; immers, tussen beide partijen stond behalve
de tussenhandelaar ook nog eens de politieke macht. Plaatselijke markten op
laag sociaal niveau konden redelijk vrij opereren. Naarmate er bij de goederenuitwisseling
echter meer en belangrijkere sociaal-politieke grenzen overschreden werden,
had handel ingrijpender politieke consequenties. Omdat er in de loop van de
tijd steeds meer luxe-goederen in omloop kwamen, stichtten de heersers in
de 6de en 7de eeuw speciale handelsplaatsen, de zogenaamde emporia.
Via deze centra konden de leiders controle (blijven) uitoefenen. In de Nederlandse delta is Dorestad het meest bekende voorbeeld.251 [251] Van Es 1980; 1990; 1994(a).
Aanvankelijk waren de emporia niet indrukwekkend in
materiële zin. De uitwisselingsacties vonden wel plaats op een vaste plaats,
maar ze waren kortstondig en vereisten op zich geen blijvende bouwwerken.
Het grootste deel van de vroege emporia zal dan ook niet of
nauwelijks archeologisch traceerbare sporen hebben achtergelaten. Later functioneerden
de emporia ook binnen de lokale handel en nijverheid. Dit
kan verklaard worden door de instabiliteit van de internationale handel in
de Laat-Merovingische tijd. Dergelijke emporia stonden onder
koninklijke bescherming. De Friezen waren zeker als bezoekers bij deze emporia
betrokken, maar het is niet bekend of zij ook zelf emporia hebben
gesticht. Die emporia zijn overigens niet te zoeken in de
Friese landen zelf, maar eerder aan de grenzen van hun gebieden, bijvoorbeeld
langs de zeekust, waaronder de waddeneilanden. Gezien de veranderlijke natuur
van deze kusten zijn de emporia (als ze al bestaan hebben)
mogelijk niet meer te traceren.
De politiek-economische structuur van de internationale handel leidde
ertoe dat er voor een regionale vroegmiddeleeuwse marktplaats weinig kansen
lagen: de grote leiders die bij de internationale handel betrokken waren verkregen
hun luxe-goederen weliswaar in centrale handelsplaatsen (de genoemde emporia)
maar zij hadden bepaald geen kleinere handelsplaatsen nodig om hun achterban
hun aandeel te geven. Deze uitwisseling kon immers worden geregeld tijdens
speciale bijeenkomsten, bij wijze van spreken op eigen erf. Met andere woorden:
de regionale uitwisseling zal nog minder kans maken archeologisch zichtbaar
te worden dan die in de emporia. Hierbij dient overigens
wel te worden aangetekend dat in elitenederzettingen vergaderhallen kunnen
worden verwacht, maar of deze in directe relatie staan met de handel verdient
nadere studie. Dergelijke grote hallen zijn overigens in het kweldergebied
van Noord-Nederland nog niet bekend. De gegevens uit Westergo en Oostergo ondersteunen het hierboven geschetste
(globale) beeld van enerzijds intensieve handelscontacten en anderzijds het
ontbreken van gespecialiseerde regionale handelsnederzettingen. Alleen al
de aanwezigheid van uitzonderlijke hoeveelheden scherven van geïmporteerd
Frankisch aardewerk toont aan dat beide gewesten bepaald
niet afzijdig stonden van de vroegmiddeleeuwse internationale handel.252 [252] Knol 1993; De Langen & Nierstrasz 1998.Ook
de verspreiding van het Friese zilvergeld in de Laat-Merovingische periode
ondersteunt het beeld en maakt duidelijk dat Friesland actieve contacten
onderhield met het Rijnland, Zuidoost-Engeland en Denemarken.253 [253] Vgl. Hodges 1989. Ook is wel zeker dat de Friese kustbewoners tenminste in de late 7de
en vroege 8ste eeuw een ontwikkelde hiërarchie kenden. Het is dus denkbaar
dat de Friese economie bovengewestelijke structuren heeft gekend. Toch lijkt
het erop dat de gewesten min of meer zelfstandige eenheden bleven. Zo
was Westergo rijker dan Oostergo, en Oostergo rijker dan de Oosterlauwerse
gewesten.254 [254] Knol 1993. Blijkbaar
vormden de Friezen niet meer dan een soort federatie zonder volledig centraal
gecontroleerde handel.255 [255] De Langen 1995. Vgl. Bazelmans
1998. Het wekt dan ook geen verbazing dat er binnen het
Friese kweldergebied geen uitzonderlijke economische centra aan te wijzen
zijn - zelfs niet van een niveau even onder dat van de emporia.
Hoogstens zijn er groepen van belangrijke nederzettingen te onderscheiden.
Zo kan de terpengroep van Wijnaldum in Westergo opgevat worden als
een politiek-economisch vooraanstaande eenheid.256 [256] Zijlstra
1990-1994; Besteman et al. 1992; 1993; Schoneveld 1993; Bos
& Nijboer 1997; Gerrets 1997; Heidinga 1997; Gerrets et al.1999;
vgl. De Langen & Noomen 1996(b); De Langen et al. 1997(a)
en volgende noot. Een goede tegenhanger vindt men al in
de nabijheid van Wijnaldum, namelijk te Dongjum, waar ook
zo’n terpencluster ligt:257 [257] De Langen 1995; De Langen 1996(b);
De Langen et al. 1997(b); De Langen & Hommes 1998; De
Langen & Nierstrasz 1998; vgl. Zijlstra 1990-1994 en De Langen et
al. 1997(c). blijkbaar waren de (dorps)eenheden
die op basis van de materiële cultuur een vooraanstaande positie op gewestelijk
niveau lijken in te nemen niet uniek. Het uitzonderlijke karakter van vooraanstaande
eenheden wordt tevens gerelativeerd door het feit dat ze hoofdzakelijk agrarisch
en slechts ten dele ambachtelijk of uitsluitend consumptief van karakter waren.
De ‘nieuwe economie’De achtste eeuw, de eeuw waarin Friesland zijn vrijheid
verloor, kende een economische opleving.258 [258] Hodges 1977;
1982; 1989. Vgl. Nelson 1992; De Jong et al.1995 en volgende
noot. De Dorestad-handel bloeide259 [259] Van Es, 1980; 1990;1994(a). Vgl. Niermeijer 1977. en
de regionale functie van de grote handelscentra werd verder uitgebouwd. Dit
heeft de uitwisseling van producten van minder luxe aard bevorderd. Deze producten
bereikten ook Noord-Nederland. Zo is bekend dat de Leeuwarders
al in de Karolingische periode graan importeerden.260 [260] Van
Zeist et al. 1987; Van Zeist 1988; persoonlijke mededeling
Van Zeist in De Langen, 1992, 301. Buiten Friesland is vastgesteld
dat de agrarische en ambachtelijke productie kon worden opgevoerd door de
introductie van nieuwe technieken en vormen van beheer, terwijl er op bescheiden
schaal ook landontginningen werden ondernomen. Opslag van agrarische producten
werd belangrijker - en niet alleen in de centra van de elite. Door de toegenomen
voorraden bloeide de handel en werd de basis gelegd voor
het ontstaan van een markteconomie.261 [261] Vgl. Hodges 1977,
203; North & Thomas 1980, m.n. 40-41 en 46; Verhulst 1981, 181; Verhulst
& De Bock-Doehaerd 1981, 189-190; Jansen 1982, 152; Noome, 1990(a), m.n.
144. Uiteindelijk verloor de handel in luxegoederen haar
dominante plaats en werd de regionale markteconomie de basis van politieke
macht. Deze verandering kwam niet onverwacht en was evenmin volledig. Dit
maakt het moeilijk het tijdstip aan te wijzen waarop ook in Friesland en omstreken
de nieuwe economie werd geïntroduceerd. De economische veranderingen die in de Karolingische periode binnen
het Friese boerenbedrijf kunnen zijn geïntroduceerd, zijn nog niet aantoonbaar.
Wel zijn er duidelijke gegevens over de ontginningen. Zo is inmiddels aangetoond
dat de meer landinwaarts, achter de kwelders gelegen veengebieden
in deze tijd langs de rivieren en stroompjes bewoond raakten.262 [262] Halbertsma 1962-63 (b); De Langen 1992, 191-194. Ook langs de randen
van de kwelder ging de ontginning door: zo liggen rond Sneek vindplaatsen
van Badorfaardewerk al verder in het veen dan een plaats als Tinga alwaar
men rond 700 startte met ontginning. Deze ontginningen tonen
aan dat tenminste een deel van de laat-9de- en 10de-eeuwse ontwikkelingen
ook in het Friese kustgebied teruggaan tot in de Karolingische periode. Deze
ontginningen waren in omvang echter nog te beperkt en de bevolkingsgroei was
te geleidelijk om een structurele vernieuwing van de regionale economie te
kunnen bewerkstelligen. Nog steeds waren permanente gespecialiseerde marktcentra
geen strikte noodzaak. Waarschijnlijk sloeg de balans pas door aan het einde
van de Karolingische periode of zelfs vlak daarna. Regionale marktplaatsen
zijn uit Karolingisch Westergo en Oostergo in elk geval niet bekend. Dit geldt
weliswaar niet voor heel Friesland: een nederzetting als Medemblik
was toen namelijk al wel een handelsplaats.263 [263] Besteman
1990. Als ‘koninklijke’ plaats was de positie van Medemblik
echter vrij uitzonderlijk. Tussen Vlie en Lauwers komt hoogstens Staveren
voor een vergelijkbare rol in aanmerking.
Het is wel mogelijk dat enkele van de Friese hoofddorpen (zie onder)
al in de Karolingische periode ontstonden, gelijk met de stichting van de
eerste kerken. Verreweg de meeste hoofddorpen zijn echter in oorsprong volmiddeleeuws.
Dit duidt erop dat de economische verandering pas in de late 9de/10de eeuw
plaatshad, toen het ook met Dorestad afgelopen was en kleinere
centra als Tiel264 [264] Voor recente literatuur, zie Bartels,
Oudhof & Dijkstra 1997. haar rol overnamen. HandelsterpenDoor een onderscheid te maken tussen lokale uitwisseling en permanente
structuren enerzijds en intergewestelijke en internationale handel met meer
tijdelijke centrale plaatsen anderzijds is hierboven betoogd dat er in het
terpengebied tot ca. 850 geen permanente handelsnederzettingen hebben bestaan
of althans niet strikt nodig waren. Deze visie is echter betrekkelijk nieuw.
Geïnspireerd door de rol van de Friezen in de vroegmiddeleeuwse lange-afstandshandel
en het feit dat agrarische terpen veelal een gesloten lichaam hebben, heeft
men sedert 1955 in afwijkende, langgerekte terpnederzettingen vroegmiddeleeuwse
permanente handelsnederzettingen willen herkennen. Dit waren, zo heette het,
bescheiden straatnederzettingen, gelegen op langgerekte terpen,
de zogenaamde handelsterpen.265 [265] Voor deze ‘handelsterpentheorie’,
zie: Haarnagel 1955. Vgl. Haarnagel 1984; Brandt 1977; 1979; 1984(a); 1984(b);
1986; 1987. De theorie werd direct in Nederland overgenomen: Halbertsma 1956(a),
50-51; 1956(b), 245; 1958, 84; 1963; Van Es 1971, 24; Klok 1974-75, 147; Schuur
1979; 1982; Elzinga 1981(a), 3; 1981(b), 19-20. Voor belangrijke kanttekeningen,
zie Miedema 1983, 340-341; Blok 1979, 112. Voor een eerste reactie op de opgraving
aan het Gouverneursplein in 1979, zie De Langen 1992, 242 noot 89. Deze handelsterpentheorie is van Duitse origine en vooral ook in Duitsland
getoetst. De theorie is tot op heden invloedrijk maar dient op zijn minst
genuanceerd te worden. Onderzoek in Leeuwarden (in het Nederlandse terpengebied de best onderzochte
centrale plaats) heeft aangetoond dat het latere handelsgedeelte ter weerszijden
van de Ee een blokvormig opgezette voorganger had, die onder
meer om deze reden hoogstwaarschijnlijk agrarisch van karakter was.266 [266] De Langen,1999(a). De terpen hadden in elk geval
in de Vroege Middeleeuwen een andere vorm dan de handelsterpentheorie wil.
Zo liep de oudste lengte-as van de terp ten zuiden van de Ee beslist niet
evenwijdig aan de Ee, zoals op grond van de huidige hoogteverschillen
aangenomen is267 [267] Schuur 1979. en heeft
de terp ten noorden van de Ee mogelijk pas in de 10de/12de eeuw een meer gesloten
lichaam gekregen als gevolg van het geleidelijk aaneengroeien
van enkele individuele ophogingen.268 [268] De Langen 1999(a);
1999(b); 2000. Ook op grond van het vondstenspectrum is
het aannemelijk dat de nederzetting in de 8ste- en vroeg-9de-eeuw een agrarische
karakter had: er zijn tot nu toe geen grote hoeveelheden importaardewerk of
bewijzen voor een belangrijke nijverheid gevonden. Ook de aanwezigheid van
een aparte kerkheuvel hoeft niet in eerste instantie te wijzen op een bijzondere
functie van de rest van de nederzetting; het is eerder een bewijs voor de
status en ouderdom van de kerk zelf. Bovendien was de Sint-Vituskerk jonger
dan de bewoning ter weerszijden van de Ee. Daar begon de bewoning in de 8ste
of anders vroege 9de eeuw, terwijl de Sint-Vituskerk, in
de vorm van een kleine houten kerk, pas rond 850 is gesticht.269 [269] Noomen 1990; 1999. Met andere woorden: de kerk
voegde zich naar de nederzetting en niet andersom. Ook uit
het ruimere nederzettingspatroon270 [270] Eekhoff 1859; Halbertsma
1963; Stiboka 1981; De Langen 1992; Knol 1993; Taayke 1996; Noomen 1999. blijkt dat Leeuwarden in de 8ste en 9de eeuw zeer wel een agrarische
nederzetting kan zijn geweest. Al met al moet de voorlopige conclusie luiden
dat althans Leeuwarden geen vroegmiddeleeuwse handdelsterpen heeft gehad,
in elk geval niet ouder is dan de 8ste eeuw en dat het functioneren van Leeuwarden
veeleer te koppelen is aan de lokale economie dan aan de internationale handel
in luxegoederen. De Volle Middeleeuwen271 [271] Voor
relevante literatuur voor het aangrenzende Duitsland, zie: Brandt 1977; 1984(a);
1986; Haarnagel 1984; Jankuhn 1984.In de Volle Middeleeuwen veranderde het Friese landschap, dat voorheen
nog in hoofdzaak door de natuurlijke omstandigheden was bepaald, ingrijpend
door grootschalige ontginningen, de eerste kunstmatige afwatering en de vroegste
bedijkingen. De grootschalige ontginningen zijn nog onvoldoende onderzocht,
maar duidelijk is wel dat ze in de late 9de/10de eeuw moeten
zijn begonnen.272 [272] De Langen 1992, 68-130. De
grote omvang ervan geeft aan dat er in de periode tussen 850/900 en 1000/1050
sprake was van een grote economische activiteit. Het élan zal zich echter
niet tot het ontginningsgebied hebben beperkt. In deze tijd begon men met
het aanleggen van de eerste dijken. Deze dijken waren overigens waarschijnlijk
niet meer dan ringdijken rond delen van afzonderlijke dorpsgebieden.273 [273] De Langen 1992, 30-37. Vgl. Rienks & Walther 1954. HoofddorpenGezien deze groei in activiteiten is het begrijpelijk waarom in deze
periode hoofddorpen ontstonden, dat wil zeggen de eerste nederzettingen in
Friesland met een zelfstandige in handel, arbeid en nijverheid gespecialiseerde
component. Deze hoofddorpen ontwikkelden zich naast de oudste en belangrijkste
kerken. Dit hield verband met de functie van de middeleeuwse kerk als centrale
plaats voor geestelijke én wereldse zaken. Bij de kerk vestigden zich ambachtslieden
en handelaren en had vaak de rechtspraak plaats, omdat - zoals later ook de
markten - kerkhof en rechtsplaats een bijzondere juridische
bescherming of ‘vrede’ genoten.274 [274] De Langen 1992, m.n.
314-325; De Langen & Noomen 1996(c). Vgl. Vervloet 1988, 2; Miedema 1983,
340-341; Noomen 1989; 1999. De nieuwe hoofddorpen konden
ontstaan dankzij de nieuwe economische activiteiten, maar vervulden een ruimere
taak. Zij werden namelijk ook van belang voor de vervulling van de oudere
en meer algemene sociaal-economische behoeften die, zoals reeds is aangegeven,
mogelijk al in de Vroege Middeleeuwen tot regionale markten hebben geleid.
De hoofddorpen trokken bovendien de eveneens oudere zeer plaatselijke nijverheid
en uitwisseling van goederen naar zich toe, zodat de opkomst van de hoofddorpen
gelijk op gaat met een ander fenomeen: het steeds zuiverder agrarisch worden
van de andere nederzettingen. Er is nog weinig informatie beschikbaar over hoofddorpen.275 [275] Cf. Schuur 1982. Het is echter mogelijk gebleken
om aan de hand van verschillende nederzettingen tussen Sneek en Dokkum een beeld van het gemiddelde hoofddorp te schetsen.276 [276] De Langen 1999(a), 33-36. Om te beginnen kan verondersteld
worden dat de verschillende delen van het uitgestrekte ontginningsgebied elk
een hoofddorp hadden. Sneek, Oldeboorn en Dokkum waren hoogstwaarschijnlijk
hoofddorpen. Nader onderzoek moet uitwijzen of ook Akkrum, Grouw en Wartena
hoofddorpen van een ontginningsgebied zijn geweest. Ook op de grote, doorlopende
kwelderwal van Oostergo ontwikkelden zich verzorgende centra. Voorlopig kunnen
Leeuwarden, Stiens, Ferwerd en Holwerd als volmiddeleeuwse hoofddorpen aangewezen
worden. Het overzicht leert dat de hoofddorpen een bescheiden voorkomen hadden.
Ze bestonden uit een kerk met kerkhof, wat agrarische bebouwing en een kleine
buurt waarin de niet-agrarische functies geconcentreerd waren. Aangezien al
deze (vermoede) hoofddorpen (óók die van een ontginningsgebied) in of op de
rand van het kleigebied lagen en een (soms klein) deel ervan verzorgden, zou
men kunnen veronderstellen dat de hoofddorpen vroegmiddeleeuwse wortels hebben.
Vaak echter betreft dit hoogstens een bepaalde component van de nederzetting
en niet het gehele hoofddorp. Toch is het geenszins onmogelijk dat de oudste
hoofddorpen zo oud zijn als de oudste kerken en dus uit de 8ste/9de eeuw dateren.
Dit kan echter voor slechts enkele hoofddorpen gelden: zeker als groep lijken
de hoofddorpen volmiddeleeuws. Het eventuele vroegere begin kan er echter
ook op duiden dat de hoofddorpen - ook de volmiddeleeuwse - niet allemaal
even oud zijn en dat zij hun regelmatige verspreidingspatroon ondanks de korte
ontstaansperiode toch staps- en trapsgewijs hebben ingevuld. Overigens is
het uiteindelijke resultaat vanuit economisch perspectief dusdanig vanzelfsprekend
en kleinschalig, dat het ontstaan van hoofddorpen een ‘natuurlijk’ antwoord
op de nieuwe economische omstandigheden lijkt te zijn geweest. LeeuwardenHet hierboven geschetste algemene beeld vormt een
kader voor de gegevens uit Leeuwarden,277 [277] Voor verwijzingen,
zie De Langen 1999(a). die op hun beurt het hoofddorpenmodel
weer verder invullen en onderbouwen. Het overzicht verklaart waarom juist
een nederzetting als Leeuwarden na 850/900 tot hoofddorp kon uitgroeien. De
Sint-Vituskerk was een belangrijke kerk die een vroege buurt kon beschermen
en de nederzetting lag gunstig: op de kwelderwal en op de plaats waar de Ee
in zee uitmondde of, anders geredeneerd, toegang verschafte tot een deel van
het te ontginnen achterland. Het maakt tegelijk duidelijk dat het niet uitzonderlijk
is dat de terpen aan weerzijden van de Ee ouder waren dan het hoofddorp en
agrarisch van oorsprong: ook de andere hoofddorpen op de hoge kwelderwal van
Oostergo ontstonden op of bij oudere terpen. Wanneer het hoofddorpenmodel klopt, is er ook een negatief bewijs
voor het agrarische karakter van het oudste Leeuwarden aan te dragen: de Sint-Vituskerk
is zoals gezegd waarschijnlijk pas rond 850 gesticht en kan daarvóór nog niet
de concentratie van handel en nijverheid hebben bevorderd. Archeologisch onderzoek
heeft aangetoond dat Leeuwarden in de Volle Middeleeuwen bestond uit agrarische
bebouwing, de Sint-Vituskerk en een niet-agrarische buurt. Op grond van de
huidige hoogteverschillen, de oudste kadastrale indeling, historische stadsplattegronden
en hetgeen we van laatmiddeleeuws en vroegmodern Leeuwarden
weten278 [278] De Langen 1992, 214-225. en vooral dankzij de opgraving aan het Gouverneursplein279 [279] De Langen 1989(a); 1989(b); 1992, 227-245. kon
worden vastgesteld dat de Hoogstraten samen de volmiddeleeuwse buurt van handelaars
en nijverheidslieden vormden. Inmiddels is gebleken dat de vroege, niet-agrarische rol van de beide
Hoogstraten ook door verschillende historische feiten wordt
ondersteund.280 [280] Noomen 1999. Vgl. De Langen 1999(a); 2000. De Hoogstraten vormden de oudste buurt van Leeuwarden, maar zij waren
niet of al snel niet meer de enige vestigingsplaats van handelaars en/of nijverheidslieden.
Dit kan worden opgemaakt uit de opgraving aan de Eewal. Deze opgraving, uitgevoerd
in 1998, brengt voor het eerst de Leeuwarder volmiddeleeuwse
nijverheid dichterbij.281 [281] Ufkes 1999. De
vroeg-11de-eeuwse datering voor deze uitbreiding vormt een indirecte onderbouwing
van de laat-9de/10de-eeuwse start van de Hoogstraten.282 [282] De Langen 1999; 2000.
3.7.2 Cultusplaatsen
Cultusplaatsen uit de IJzertijd en Romeinse IJzertijd zijn in het
Noord-Nederlandse kustgebied (nog) niet bekend. We kunnen ons er wel een (grotendeels
hypothetische) voorstelling van maken op basis van archeologisch gegevens
uit naburige gebieden, wat spaarzame historische gegevens en etnografische
studies van vergelijkbare groepen. De kennis van cultusplaatsen in het Germaanse
cultuurgebied doet het volgende vermoeden over de aanwezigheid, aard en verschijningsvorm
van prehistorische en vroeg-protohistorische cultusplaatsen in de Noord-Nederlandse
kuststreek. Heiligdommen waren gerelateerd aan natuurlijke fenomenen, zoals
grote bomen; (monumentale) houten cultusgebouwen ontbraken; en naar verwachting
werden de belangrijke culten uitgeoefend op plaatsen met belangrijke sociale,
politieke en/of economische functies. De ‘oppervlakkigheid’ van de archeologische
sporen die een cultus in de open lucht achterlaat vraagt van de onderzoeker
een bijzondere alertheid op ‘bijzondere’ fenomenen, zoals clusters van bijzondere
vondsten in karakteristieke landschappelijke situaties. Volgens Frankische bronnen was er in de vroegmiddeleeuwse periode
sprake van belangrijke cultusplaatsen in het Noord-Nederlandse gebied. De
bronnen maken namelijk melding van plundering en vernietiging door de Karolingische
veroveraars c.q. missionarissen. Het is echter niet altijd duidelijk wat de
‘publieke reikwijdte’ van deze heiligdommen was voor de inheemse bevolking
zelf. Mogelijk was er geen sprake van een sociaal-politiek relevante cultus
op centraal niveau; dit kunnen we opmaken uit het feit dat grote centrale
grafvelden ontbreken (elke kleine nederzetting had zijn eigen grafveld) en
uit het stapsgewijze verloop van de kerstening. De kans is groot dat ook de
cultusplaatsen uit de Vroege Middeleeuwen moeilijk te herkennen zijn omdat
ze (waarschijnlijk) geen uitzonderlijke, permanente en archeologische herkenbare
structuren omvatten. In dit verband kan verwezen worden naar wat hierboven
is gezegd over het karakter van vroegmiddeleeuwse centrale plaatsen. Vaak
is (wordt) er een relatie verondersteld tussen belangrijke pre-christelijke
heiligdommen en de vroegste kerken. Zo’n relatie is elders in Nederland en
daarbuiten enkele malen aangetoond, maar dient voor het kustgebied nader onderbouwd
te worden. Het gewenste kader voor de studie naar de oudste
kerken wordt door historici verschaft.283 [283] De thematiek van
de oudste kerkenbouw brengt overigens ook de eilanden Terschelling en Ameland
in beeld. Zij zijn in staat gebleken een goed inzicht te
geven in de oudste moederparochies en secundaire of latere parochievorming.
Het is duidelijk dat de verspreiding van de oudste kerken dunner is dan die
van vroegmiddeleeuwse grafvelden. Met andere woorden: niet iedere groep die
zich als ‘begraafgemeenschap’ beschouwde kreeg in de eerste decennia of zelfs
eeuwen na de formele kerstening de beschikking over een eigen kerk. Dit kan
erop wijzen dat de introductie van het christendom gepaard is gegaan met een
vorm van centralisatie van de cultus. De oudste kerken in het Noord-Nederlandse gebied waren van hout; feitelijk
is over deze kerken nog niets bekend. De introductie van tufsteen in de Noord-Nederlandse
kerkenbouw werd tot voor kort in eerste helft van de 11de eeuw geplaatst.
Het vermoeden bestaat echter dat de eerste ‘verstening’ in tuf bij de belangrijkste
kerken al eerder plaatsvond. Onderzoek naar de oudste tufstenen kerk van Leeuwarden
heeft duidelijk gemaakt dat de bouw ervan niet in de late 11de eeuw moet worden
geplaatst, zoals men op grond van de traditionele dateringsmethode
wil,284 [284] Halbertsma 1968; 1969; 1971; Van den Berg 1970;
ongepubliceerde documentatie ROB. maar dat ook een vroeg-11de
of zelfs laat-10de-eeuwse datering goed te verdedigen is. De argumenten daarvoor
hebben betrekking op de functie van moederkerk, de historisch gedocumenteerde
rol van het klooster van Corvey, de bouw van tufstenen kerken in dochterparochies (ook in de 11de eeuw) en de vorm van de kerk zelf.285 [285] De Langen, 1999(a). Vgl Noomen 1999. Deze vroegere
datering past goed bij de opkomst van Leeuwarden als hoofddorp en de algemene
economische activiteiten in het kustgebied van de 10de eeuw. Ter ondersteuning
van een vroegere bouw in tufsteen in Noord-Nederland kan nog worden aangevoerd
dat recent onderzoek naar de bouwgeschiedenis van de Sint-Maartenskerk van
Groningen duidelijk heeft gemaakt dat ook voor deze belangrijke kerk een 10de-eeuwse
steenbouw mogelijk is; ze is in ieder geval logischer dan
een 11de-eeuwse.286 [286] Lanting 1990, m.n. 173-174. 
|  |

|