Deel 3 Archeologische verschijningsvormen3.6 Lokale gemeenschap
Hoewel het terpengebied altijd is beschouwd als een archeologische
schatkamer, is het onderzoek in vergelijking met andere delen van Nederland
sterk versnipperd. Noord-Nederland heeft deze achterstand in onderzoek opgelopen
in de jaren vijftig en later, toen in andere (in economische zin meer dynamische)
delen van Nederland grootschalige ingrepen gecombineerd werden met grootschalig
gravend onderzoek. Geconstateerd moet worden dat de kennis van de archeologische
verschijningsvormen van lokale en bovenlokale gemeenschappen voor Noord-Nederland
oppervlakkig is; voor sommige gebieden en perioden ontbreekt ze zelfs geheel.
Ongetwijfeld zijn we zeer slecht geïnformeerd over variatie tussen en binnen
regio’s en missen we de parameters om dat onderzoek beter vorm te geven. Sterker:
we weten eigenlijk niet goed op welk schaalniveau we het onderzoek moeten
intensiveren, want het gevaar dreigt dat appels met peren worden vergeleken. Met het oog op de selectie van vindplaatsen voor gravend onderzoek
lijkt de situatie daarom betrekkelijk eenvoudig: elke gelegenheid
om onderzoek te doen dient te worden aangegrepen, ongeacht de mate
van conservering en gaafheid van de sporen en ongeacht de omvang van de geplande
ingreep. Als er voor deze (brede) vorm van kennisgaring wordt gekozen moet
er echter ook maximale ruimte worden gecreëerd voor (her-)interpretatie van
het vondstmateriaal - dat wil zeggen door maximale aandacht te schenken aan
de vondstcontext.
Huis, erf, nederzettingVan het huis als archeologische verschijningsvorm zijn in het grote
onderzoeksgebied slechts enkele tientallen exemplaren bekend. De belangrijkste
vindplaats in dat verband is Ezinge, waar ca. 90% van alle
bekende huisplattegronden uit afkomstig is.215 [215] Het omvangrijke
onderzoek in het Duitse terpengebied mag in dit kader niet onvermeld blijven:
zie Haarnagel 1979 en Meier 2001. Het probleem
is dat de individuele plattegronden van Ezinge niet gepubliceerd zijn.216 [216] De individuele plattegronden zijn alleen zichtbaar op de zogeheten
‘Praamstra-overzichten’ (De Langen & Waterbolk 1989; Waterbolk 1991).
Cf. Van Giffen 1936. Andere gebouwplattegronden zijn bekend
uit Middelstum (Midden-IJzertijd), Sneek (Romeinse IJzertijd),217 [217] Niekus & Huisman 2002. Paddepoel (Midden-Romeinse
tijd), Heveskesklooster,218 [218] Boersma 1988. Foudgum (Karolingische periode),219 [219] De
Langen 1992. Tritsum,220 [220] Waterbolk
1960. Wijnaldum (Midden-Romeinse IJzertijd tot en met Karolingische
periode) en Leens (Karolingische periode).221 [221] Knol
1993. Verondersteld wordt dat de huisbouwtraditie in Noord-Nederland niet
wezenlijk afwijkt van de huisbouwtraditie in het Noord-Nederlandse
zandgebied.222 [222] Voor deze traditie zie Waterbolk 1995 en
Huijts 1992. Vgl. Hiddink 1999, 93-95. Interessant is het recente onderzoek
in Harlingen-haven waar 13de- en 14de-eeuwse boerderijen werden gevonden die
te vergelijken zijn met het bekende Gasselte-type (zie Bakker & Tuinstra
2001). In een aantal gevallen spelen zoden
een belangrijke rol in de vormgeving van wanden.223 [223] Knol
1993, 119-132. Met de (gedeeltelijke) publicatie van het
onderzoek van Wijnaldum-Tjitsma heeft men sinds kort de beschikking over de
beschrijving van een groep bouwwerken die sterk afwijkt van genoemde traditie: het betreft hier zodenwandhuizen zonder dakdragende palen.224 [224] Gerrets & De Koning 1999. Gebrek aan bouwhout
moet bij de bouw van dergelijke huizen een doorslaggevende rol hebben gespeeld,
hoewel een ‘culturele’ factor niet uit te sluiten is. Vanwege de goede conservering
van organisch materiaal en/of van oude oppervlakken biedt een aantal huizen
binnen het gebied een uitzonderlijk rijke bron van informatie voor de beantwoording
van vragen over constructie (incl. houtgebruik), indeling, oriëntatie, gebruik
(vondst- of afvalspreidingen, mest, huisgerelateerde deposities). Op het erf bevinden zich vaak niet alleen woonstalhuizen, maar ook
andere structuren: schuren, hutkommen, waterputten, kuilen en ovens. Slechts
een klein deel daarvan is gepubliceerd. Een overzicht van de regionale en
diachrone variatie in de verschijningsvormen van deze erfelementen ontbreekt. Uit onderzoek in Midden- en Zuid-Nederland blijkt dat nauwkeurig onderzoek
van hutkommen veel informatie oplevert. Het zeven van de inhoud van hutkommen
levert in veel gevallen grote hoeveelheden vondstmateriaal (brons en glas)
op dat met de schop niet gevonden wordt. Zoals eerder al werd vermeld (zie
3.4, methoden en technieken) worden er in Noord-Nederland vooralsnog geen
grootschalige bodemingrepen voorbereid die een kans opleveren voor grootschalig
onderzoek van erven en nederzettingen. Echter, juist voor het terpengebied
geldt dat volume vaak meer telt dan oppervlak: sommige bodemingrepen
zijn kleinschalig qua oppervlak, maar desastreus qua volume (zoals
de verplichte ondergrondse opslag van drijfmest ).225 [225] De
ondergrondse opslag van drijfmest gaat gepaard met bodemingrepen van zeker
1000 m3; dat wil zeggen een flink deel van een (huis)terp. Dergelijke
ingrepen bieden desondanks goede mogelijkheden voor stratigrafisch onderzoek,
aangezien ze vaak tot op het niveau van de natuurlijke kwelder reiken. Behalve onderzoek naar de inventaris van het boerenerf op een terp
is nog weinig onderzoek gedaan naar de perceelsvorm op en
buiten de terpen.226 [226] Voor eerste aanzet, zie: De Langen
1992, m.n. 155-173 en 173-186 (Foudgum) en De Langen 1999(a) (Leeuwarden). Historisch-geografisch onderzoek alleen schiet te kort omdat oudere
veldsystemen onzichtbaar zijn opgegaan in jongere. Archeologische onderzoeksgegevens
berusten tot op heden vooral op toevalstreffers227 [227] Zoals
te Heveskesklooster (Boersma 1988) en Heveskes (Kooi 1994). maar
verdienen systematische aandacht. Formele deposities van menselijk materiaal: graven en grafveldenMet uitzondering van de Volksverhuizingstijd en de Vroege Middeleeuwen
zijn in Noord-Nederland geen ruimtelijk begrensde ‘verzamelingen’ bekend
van formele deposities van menselijk materiaal228 [228] Het ontbreekt
in het gebied aan goed fysisch-antropologisch onderzoek. Voor oud onderzoek,
zie: Huizinga 1954; 1955. (d.w.z. grafvelden;
zowel crematies als inhumaties).229 [229] Overigens is het aantal
goed gedocumenteerde grafvelden uit de Volksverhuizingstijd en de Vroege Middeleeuwen
(nog) klein: Oosterbeintum, Godlinze en Ezinge-De Bouwert (Knol 1993, 150-188). De vraag is of het hier Forschungslücke betreft of
dat de beperkte kennis het gevolg is van uitvaartrituelen die zich door hun
vorm aan onze waarneming onttrekken (bijv. verstrooiing van asresten in water,
exhumatie en excarnatie). Wel is duidelijk dat er binnen nederzettingen vaak
sprake is van meer of minder formele deposities van menselijk materiaal (al
dan niet in anatomisch verband). Hiervan is geen overzicht
beschikbaar.230 [230] Een aanknopingspunt biedt Hessing 1993. Ze dienen echter systematisch gedocumenteerd en absoluut (14C !) gedateerd
te worden. Ook voor de periode waarin we relatief goed geïnformeerd
zijn over het grafbestel (d.w.z. Volksverhuizingstijd en
Vroege Middeleeuwen)231 [231] Maar zie de opmerking in noot 231. moet de vraag gesteld worden naar de representativiteit van de beschikbare
gegevens. Van de kleine verhoging De Bouwert bij Ezinge weten we dat het een
grafveld betreft; van vergelijkbare verhogingen bij bijvoorbeeld Ulrum, Garnwerd
en Westerwijtwerd is dat echter niet bekend. Het lijkt zinvol om intensieve
inventarisaties te maken per dorpsterp en de resultaten daarvan in een regionaal
verband te plaatsen. Pas dan kan een uitspraak worden gedaan over de daadwerkelijke
stand van zaken. Formele deposities van niet-menselijk materiaalDe terpen hebben een reeks van voorbeelden opgeleverd van depositie
van dierlijke resten, voedsel en vaatwerk.232 [232] Een klassiek
voorbeeld is het bouwoffer uit de oudste hoeve van Ezinge (Van Giffen 1963).
Nieuwhof (GIA, Groningen) bereidt een dissertatie voor over dit onderwerp. Een overzicht is echter niet beschikbaar.233 [233] Voor de mogelijkheden van dergelijk onderzoek, zie Lauwerier et
al. 1998-1999. De betekenis en
rol van dieren en dierproducten in het begrafenisritueel verdient nader onderzoek.234 [234] Knol et al. 1996; Cuijpers et al. 1999;
Prummel 1993(b). Formele deposities buiten de
terpen zijn vrijwel onbekend. Wellicht betreft het hier een Forschungslücke die
opgevuld kan worden door systematische archeologische aandacht
voor natuurontwikkelingsprojecten.235 [235] Vergelijk de resultaten
van het RAAP-onderzoek van voordes in Zuid-Nederland (Roymans 2004).
Vroege dijkenbouw
Ondanks de recente ontdekkingen van kleine dijken bij Wijnaldum, Dongjum
en Peins, vertoont het meest ‘vaderlandse’ onderzoeksthema een pijnlijke lacune:
de vroegste dijkenbouw is in archeologische zin een terra incognita. In Nederland heeft geen systematisch onderzoek plaatsgevonden,236 [236] Zie voor dit thema deel 15 van Probleme der Küstenforschung. terwijl vele dijken in het noordelijke kustgebied om een nadere datering
vragen (zoals de dijk om Middag en Humsterland waarvan vermoed wordt dat hij
‘vroeg’ is). Als lineaire elementen zijn dijken betrekkelijk makkelijke onderzoeksobjecten
die op puntlocaties op hun opbouw en datering onderzocht kunnen worden. Hun
verloop in het landschap is echterminder vanzelfsprekend en vergt een nauwkeurige
analyse van de functie in relatie tot de oorspronkelijke geomorfologie: veendijk
of leidijk, rivierdijk of zeekering? Een andere benadering is die door Knottnerus
wordt gevolgd: hij spoort verdwenen of nauwelijks zichtbare dijktracés op
door topografische gegevens/AHN te verbinden met informatie over landaanwas of landontginning in historische bronnen.237 [237] Knottnerus
2003; 2005. 
|  |

|