Deel 3 Archeologische verschijningsvormen3.5 Chronologie
Met het werk van Taayke is voor het Noord-Nederlandse gebied een relatieve
chronotypologie beschikbaar gekomen voor de periode tussen de Vroege
213 [213] Taayke 1996 en 2.4.2
hierboven.De typologie van Taayke is nog onvoldoende in
absolute jaren ingekaderd. De typochronologische ontwikkeling van een deel
van het middeleeuws handgevormd aardewerk, de zogeheten kogelpotten,
is op hoofdlijnen bekend.214 [214] Verhoeven 1996. Het handgevormde materiaal voor de Volksverhuizingstijd (Tritsum-aardewerk)
en de Vroege Middeleeuwen geldt echter nog grotendeels als terra incognita.
‘Importen’Ondanks dat alles wat een nederzetting werd binnengebracht in zekere
zin ‘geïmporteerd’ is, hebben vooral objecten die over grote afstanden zijn
aangevoerd altijd veel aandacht getrokken. Waarnemingen uit verschillende
perioden wijzen erop dat er wat betreft importen sprake was van lokale verschillen.
Een opmerkelijke groep vormen metaalvondsten: wat betreft kwantiteit en ‘uitbundigheid’
tekenen zich niet alleen tussen de regio’s verschillen af, maar ook tussen
terpen onderling binnen eenzelfde regio. De verschillen treden op vanaf de
Romeinse periode tot in de Late Middeleeuwen. Dit onderstreept nogmaals de
noodzaak van integrale publicatie van metaalvondsten, bij voorkeur per terp. Een andere materiaalgroep vormt de importkeramiek uit de Volle en
Late Middeleeuwen, met name de Rijnlandse importen. Gebruik van importkeramiek
kan in deze periode statusverschillen blootleggen binnen de terpgemeenschappen.
In het algemeen past wel een waarschuwing voor het schaalniveau van de waarneming:
daar waar het om kleinschalige waarnemingen gaat, zoals bij bouwputten, is
een vergelijk met andere ‘kijkgaatjes’ niet altijd verantwoord. De mogelijkheden van dendrochronologisch onderzoek voor de verdere
precisering van de chronologie zijn nog niet verkend. Een beperking voor dendrochronologisch
onderzoek ligt in het feit dat in de nederzettingen veelal jong stamhout werd
gebruikt, dat bovendien meestal afkomstig is van houtsoorten met een ‘zwevende
chronologie’. De kans op geschikte monsters is groter naarmate de afstand
tot het pleistocene landschap kleiner is (meer kans op toepassing van eikenhout).
Daar waar in terpen sprake is van meerdere bewoningsfasen boven elkaar, kan
inzicht verkregen worden in de levensduur van afzonderlijke fasen van bewoning
- een aspect waarover in ons land nog nauwelijks data beschikbaar zijn. Daarbij
moet niet alleen worden gedacht aan dateringen van eikenhout; ook andere houtsoorten,
zoals iep en es, bieden de nodige mogelijkheden. Waar het constructiehout vanwege de gebruikte houtsoort geen mogelijkheden
biedt voordendrochronologisch onderzoek, kan 14C-wiggle match datering
ingezet worden om nauwkeuriger dateringen te bereiken dan via (een reeks)
enkelvoudige dateringen verkregen kan worden.


|