Geavanceerd zoeken

Start       Leeswijzer              Archeoregio's         Periodes         Thema's         Hoofdstukken home contact

Deel 3 Archeologische verschijningsvormen

3.4 Methoden en technieken

In het gebied is grootschalig en intensief onderzoek vrijwel onmogelijk omdat er (vooralsnog) geen sprake is van grote ruimtelijke ingrepen en omdat dergelijk onderzoek zeer tijd- en geldintensief is.203 [203] Met het oog op een gezonde verhouding tussen maatschappelijke lasten en goed onderzoek zal bij archeologisch onderzoek van gestratificeerde, goed-geconserveerde vindplaatsen altijd de vraag rijzen welke beperkingen aan het onderzoek moeten worden opgelegd. Voor Noord-Nederland zou het credo dan ook moeten zijn: met kleinschalig onderzoek grote vragen beantwoorden. Om de mogelijkheden die er zijn ook ten volle te benutten is het noodzakelijk dat bij ieder archeologisch onderzoek ook specialisten op het gebied van de geologie, bodemkunde, micromorfologie, botanie en zoölogie worden betrokken. De maatschappelijke acceptatie van relatief kostbaar onderzoek is echter een probleem. Het lijkt dan ook zaak om – met het oog op kosten en gevraagde expertises – niet te werken via aanbesteding, maar met coalities van universitaire en commerciële partners.

Keuze voor te hanteren methoden en/of technieken

Het onderzoek van Van Giffen is in methodisch-technische zin trendsettend geweest voor het onderzoek van terpen. Na de Tweede Wereldoorlog werden innovaties voor een belangrijk deel bepaald door het onderzoek in Noord-Duitsland. In de context van het onderzoek van Wijnaldum-Tjitsma heeft men zich recentelijk opnieuw gebogen over de vraag wat de beste manier is om een terp op te graven.204 [204] Gerrets & De Koning 1999. Een juiste beantwoording was daar van het grootste belang omdat goed geconserveerde boerderijen en structuren ontbraken. Veel meer dan vroeger is men zich er van bewust dat een terp niet slechts een opeenvolging is van bewoningsfasen die door substantiële ophogingen van elkaar zijn gescheiden; veel terpen laten een veel complexer beeld zien, waarin ook kleine ophogingen, afbraak van huizen, lokale afwatering, beakkering en plaggensteken een rol spelen. Gelet op de complexiteit van het onderzoeksobject verdienen dan ook die methoden en technieken de voorkeur die het mogelijk maken een goed driedimensionaal inzicht te krijgen in individuele structuren. De keuze voor een gravende afwikkeling van opeenvolgende werkputvlakken en de afzonderlijke, aan- en afsluitende documentatie van werkputprofielen volstaat dus niet. De aanleg van opeenvolgende vlakken moet worden gecombineerd met de documentatie van de profieldelen die successievelijk worden blootgelegd. Sporen die in een vlak worden gedocumenteerd moeten gekoppeld kunnen worden aan de laag- en spooropeenvolging in profielen. Smalle profielsleuven met een diepte tot op het volgende vlak zijn daarvoor een uitstekend hulpmiddel.

Het behalen van optimale resultaten in het onderzoek van terpen is niet alleen afhankelijk van de gekozen methoden en technieken, maar ook van het toepassen van een aantal praktische maatregelen, die tot de ambachtelijke ‘kneepjes’ van het vak behoren. Desastreus is bijvoorbeeld het laten uitdrogen van vlakken: sporen worden daardoor onleesbaar. Om uitdroging te voorkomen volstaat in de meeste gevallen afdekking met (het betrekkelijk goedkope) zwart landbouwplastic. Leesbaarheid van vlakken en profielen kan tot op zekere hoogte weer hersteld worden door besproeiing of beneveling met water. De maximale leesbaarheid van het opgravingsvlak wordt ook bevorderd door op te graven buiten de zomer. Voor de uitwerking van een opgraving is het zeer bevorderlijk om profiel- en vlaktekeningen natuurgetrouw te kleuren; iets wat er in de huidige (commerciële) archeologie nogal eens bij inschiet. Hier ligt overigens ook een verantwoordelijkheid ten aanzien van toekomstige generaties van onderzoekers die met dezelfde primaire gegevens aan de slag willen.

Tot in de jaren zeventig werden vondsten vaak vlaksgewijs verzameld. Tegenwoordig is dat uit den boze omdat de vondsten dan niet meer toewijsbaar zijn aan sporen of lagen. Vondsten dienen dus te worden verzameld per spoor of (ophogings-)laag.

Kleinschalige bebouwing in de buurt van terpdorpen vindt vaak plaats op delen van de terp die in de 19de of 20ste eeuw zijn afgegraven. Deze afgegraven gedeelten vormen geen archeologische woestijn; in veel gevallen is nog een zogeheten terpzool aanwezig. Daarnaast zijn natuurlijk alle sporen aanwezig die onder de oudste terpniveau's waren ingegraven (sloten, afvalkuilen, dobbes, waterputten etc.) – dat wil zeggen niet allen sporen van de eigenlijke bewoningfase, maar ook uit de periode daarvoor. Het onderzoek van terpzolen heeft de laatste jaren in Friesland en Groningen zijn waarde getoond en dient voortgezet te worden.205 [205] Over terpzolen: Bos 1995. Voorbeelden: Stapert (Bos et al. 2001), Goutum-Noord (Bos & Jager 1996), Winsum-Bruggeburen (Bos et al. 1998), Dongjum en Peins (Bazelmans et al. 1999). Voor de provincie Groningen is het belang van terpzolen vermoedelijk niet minder. Hier worden afgegraven sectoren zelfs ook weer aangevuld met van elders aangevoerde grond of baggerspecie; deze aanvullingen worden gebruikt om de waarde van terpzolen te beoordelen en tegelijk steilkant-onderzoek uit te voeren.206 [206] Voorbeelden zijn de wierden van Englum (Nieuwhof 2001; Nieuwhof in voorbereiding) en Wierum. Voor de methodisch-technische kant van steilkantonderzoek, zie Bazelmans et al. 1999.

Speciale aandacht verdienen de lange doorsnedes die ontstaan als gevolg van de regelmatig optredende werkzaamheden aan leidingtracés. Voor zulke doorgaans lange tracés dient een vorm van geo-archeologische begeleiding te worden uitgewerkt die zich richt op de paleografische essentie van het landschap in relatie tot de bewoningsmogelijkheden. Omdat de vorm van begeleiding tegelijkertijd maatschappelijk (d.w.z. financieel) acceptabel moet zijn, wordt dikwijls alleen gekozen voor profielopnamen. Dit moet dan gezien worden als een vorm van prospectief onderzoek waarmee onderzoeksvragen op regionale schaal snel en efficiënt op een hoger plan kunnen worden gebracht. Een goed voorbeeld is de pijpleiding Vierhuizen-Lauwersmeer, waar de sedimentaire gelaagdheid in de top van een afgedekte kwelder onderbroken bleek door spitsporen, terwijl iedere associatie met vondsten en bewoning ontbrak. De spitsporen zijn geologisch gedateerd in de Romeinse IJzertijd of Vroege Middeleeuwen.207 [207] Vos 2001(b).

Onderzoek in het gebied levert vaak voor Nederlandse begrippen grote hoeveelheden vondsten op. Als de nadruk in het onderzoek van dit materiaal slechts ligt op datering, verdient het de voorkeur om in de totstandkoming van een standaardrapportage slechts beperkt aandacht te besteden aan deze categorie; deze zou mogen verschuiven ten gunste van goed-gedocumenteerde, goed-gedateerde, en gesloten complexen. De stand van onderzoek in het gebied is zodanig dat dergelijke complexen grote waarde hebben los van de informatie- en ensemblewaarde van de vindplaats als geheel. Het onderzoeksgebied is op vele plaatsen rijk aan archeozoölogisch materiaal. De waarde van dit materiaal kan echter alleen worden gerealiseerd als er gesloten, goed-gedateerde complexen worden onderzocht en ook het kleine botmateriaal wordt verzameld (zeven!). Hoge prioriteit moet worden toegekend aan het verzamelen van absoluut gedateerde fenomenen (inzet 14C- en dendrochronologische dateringen).

Metaaldetectie

De systematische registratie van metaaldetectievondsten verdient grote aandacht omdat vooral in akkerbouwgebieden door agrarische activiteiten sprake is van het steeds maar opnieuw aanploegen van nieuwe terp- en bewoningslagen.208 [208] Formeel is de melding van amateurvondsten goed geregeld, maar in de praktijk schort er nog het nodige aan. We mogen aannemen dat op dit moment slechts een klein deel van de detectievondsten onder ogen komt van conservatoren (Fries Museum, Groninger Museum en Geld- en Bankmuseum (Utrecht), provinciaal-archeologen, wetenschappers en Archis-mederwerkers). Cf. Bos 1998. Het proces van verdergaande egalisatie van reliëf door agrarisch gebruik zal niet tot staan kunnen worden gebracht en moet dus worden ingecalculeerd als onvermijdelijke teloorgang van contextuele informatie en kwaliteit van het object zelf. In het verleden zijn er verschillende inventarisaties van metaaldetectievondsten uitgevoerd, maar niet gepubliceerd.209 [209] Uitzonderingen zijn de pilots van De Langen & Hommes 1998 (metaaldetectie) en De Langen & Nierstrasz (veldkartering aardewerk). Zie ook de verschillende RAAP-karteringen in Friesland.

Bij de uitwerking en publicatie dient de aandacht niet uitsluitend uit te gaan naar bijzondere vondsten, maar juist naar de bulk van het materiaal.210 [210] Voor inzameling en determinatie van alle metaalvondsten, zie: De Langen & Hommes 1998. Vergelijk Nicolay 2005. Parallel hieraan dient een regime te worden ontwikkeld om de ongebreidelde detectie die thans plaatsvindt te kanaliseren en te begeleiden. Het meldingssysteem is bij lange na niet berekend op het volume aan vondsten en een onbekend deel van de vondsten verdwijnt ongezien in (on)bekende collecties211 [211] In de toekomst zou speciale aandacht uit moeten gaan naar de verwerving van amateurcollecties, vooral in die gevallen waar de collectioneur zijn interesse verliest of overlijdt. en de handel. Een oplossing is wellicht te vinden in het inschakelen van amateurarcheologen via het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis.

Jongere bewoningsfasen op terpen

Jongere bewoningsfasen op terpen zijn vaak slecht of niet geconserveerd (zie bijv. Wijnaldum en Englum) of slecht toegankelijk (belang van kleine ingrepen in huidige terpdorpen). Terpen die agrarisch worden gebruikt kennen doorgaans slechte consrveringsomstandigheden en bieden dus weinig perspectief voor toekomstig onderzoek. Voor de jongere periodes liggen de onderzoeksmogelijkheden vooral op of onder de huidige flanken van terpen, of onder de valgen buiten de eigenlijke terpen. De beste kansen voor onderzoek naar de jongere terpbewoning liggen op dorpswierden waar zuurstof in mindere mate kon toetreden, zoals onder erfverhardingen of onder en tussen ondiep gefundeerde woningen. Met name de organische component kan hier door een geringere uitdroging opvallend goed bewaard zijn.212 [212] Voorbeelden: Ulrum en Bedum (zie Groenendijk 1997(b) en Groenendijk in voorbereiding).

Jongere bewoning is vaak gerelateerd aan dijktracés. Nog onopgehelderd is de vraag of het lineaire bewoningspatroon er eerst was (gelijktijdig is met de dijkaanleg) of dat de bewoning zich later naar een dijktracé richtte. De indruk bestaat dat hiervoor geen algemeen-geldige regel is te geven maar dat er vooral individuele ontwikkelingen zijn. Dit vraagstuk vergt dus een aangepaste onderzoeksmethodiek, met veel aandacht voor: 1) het microreliëf (middels raadpleging van de AHN); 2) de morfologische analyse van de wierdecontour in relatie tot de perceelsvorm; en 3) de aanwezigheid van eventuele oversnijdingen die inzicht bieden in de chronologische opeenvolging.





terug InhoudLiteratuur vooruit