Deel 3 Archeologische verschijningsvormen3.3 Relevante postdepositionele processen
Zoals in 2.2 werd beschreven kennen de verschillende regio's van het
onderzoeksgebied een wisselvallige geschiedenis waarin natuurlijke sedimentatie
en natuurlijke erosie elkaar hebben afgewisseld. Sommige gebieden zijn in
de Laat-Romeinse tijd en de (Vroege) Middeleeuwen op grote schaal vernietigd
(Vliestroom-gebied, Middelzee, Lauwers, Dollard). Uiteraard gaat de voorkeur
voor onderzoek uit naar die regio’s waar sprake is van substantiële afdekking,
die gezorgd heeft voor een goede conservering en gaafheid van vindplaatsen.
Daarbij dient echter te worden beseft dat zelfs in gebieden die ten prooi
zijn geweest aan grootschalige inbraken nog relevante archeologische
archeologische resten aanwezig kunnen zijn.197 [197] Groenendijk & Vos 2002
(Grijpskerk).
In Noord-Nederland begonnen de postdepositionele (bronnenvormende)
processen in feite al op het moment dat een gebied voor het eerst werd gekoloniseerd:
voor de bouw van terpen, waterputten, dijken en huizen werden immers kwelderzoden
gebruikt, die vaak in de onmiddellijke nabijheid werden gestoken. Het oorspronkelijke
oppervlak waarop de eerste bewoning plaatsvond, is dan ook in veel gevallen
verdwenen of alleen nog onder de eerste (huis)podia geconserveerd. Iets dergelijks
gaat ook op voor de terpen in het veengebied, waar podia van veenplaggen werden
opgeworpen. Hun conserverende eigenschappen zijn nog groter wanneer er in
de directe omgeving gelijktijdig veen is gewonnen en/of vergaan, zoals voor
de Romeinse IJzertijd al gedocumenteerd is. Dergelijke oorspronkelijke oppervlakken
zijn van het grootste belang voor lithostratigrafisch en ecologisch onderzoek
(zie 3.2 en 3.4). Het steken van zoden - in ieder geval naast maar mogelijk
ook op terpen - moet in de hele bewoningsgeschiedenis zeer intensief zijn
geweest. De op- en uitbouw van terpen is waarschijnlijk niet alleen een gecompliceerd
postdepositioneel proces van voortdurende afdekking van oude lagen door afval
en ophogingen, maar ook van vernietiging. Naast het steken van zoden kan in
dit verband ook verwezen worden naar de beakkering van terpen198 [198] Eenduidig vastgesteld in Wijnaldum-Tjitsma (Gerrets & De Koning
1999) en Dongjum. en de afbraak van huizen
en structuren.199 [199] De opgraving van Wijnaldum-Tjitsma doet
vermoeden dat er zorgvuldig werd omgesprongen met de gebruikte grondstoffen
(Gerrets 1999(c)). Uiteraard dient de veldwerkstrategie
gericht te zijn op het achterhalen van dergelijke processen. Daarvoor is een
gedetailleerd driedimensionaal inzicht in de terp noodzakelijk (zie 3.4). Het onderzoek in Noord-Nederland wordt voor een belangrijk deel bepaald
door de beschikbaarheid van enorme hoeveelheid losse vondsten. Hoewel de hoeveelheid
nog steeds gestaag groeit door de inzet van metaaldetectoren, is hij vooral
het resultaat van de commerciële exploitatie van de terpen in de periode tussen
1840 en 1943. Het is nog onduidelijk of die exploitatie evenwichtig
over het gebied verdeeld was.200 [200] Voor Friesland, zie Arjaans
1991. Op hoofdlijnen: in Friesland is 75% van de terpen aangetast, in Groningen
50%. Ter vergelijking: in Oost-Friesland (BRD) 0%. Onduidelijk
is ook de omvang van kleinschalige, lokale exploitatie die niet in de bronnen
gedocumenteerd is, maar waarvan zeker sprake geweest moet zijn. Op bescheiden
schaal wordt her en der een inventarisatie gemaakt van de gebieden die terpmodder
ontvingen en waar terpvondsten voor ‘vindplaatsvervalsing’ hebben gezorgd,
zoals te Muntendam. Sinds ca. 1978 speelt de metaaldetector een grote rol
in de aanwas van toevalsvondsten. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de
mogelijkheden voor metaaldetectie in hoge mate samenhangen met de aard van
de moderne agrarische exploitatie van een gebied, die op haar beurt weer samenhangt met de geologisch-bodemkundige gesteldheid.201 [201] Bazelmans,
Gerrets & Pol 2002; Bazelmans 2004. Cf. De Langen & Hommes 1998 (voor
mogelijkheden voor de kartering van aardewerk, zie De Langen & Nierstrasz
1998). Tot slot verdienen de Noordnederlandse veengebieden aandacht. Door
grootschalige ontginning van de uitgestrekte veengebieden in de Late Middeleeuwen
zijn sporen van oudere (Romeinse (?) en Karolingische) exploitatie van dergelijke
gebieden vernietigd. Daar waar geen grootschalige occupatie heeft plaatsgevonden
zijn wel nog relicten van oudere veenontginning aanwezig. Overslibbing van
veengebieden, zoals in de invloedssfeer van de Boorne, Lauwers en Dollard,
heeft tot een goede conservering van het oudere veenlandschap met daarin sporen
van de primaire ontginning geleid. Daar waar dergelijke overslibbing niet
heeft plaatsgevonden is vaak niet meer over dan veraarde veenpakketen. In
archeologische zin is hier dan nog alleen sprake van contextloze
vondstconcentraties.202 [202] Overigens kunnen waterputten en
andere diep ingegraven structuren wel bewaard zijn gebleven. 

|