Deel 3 Archeologische verschijningsvormen3.2 Het cultuurlandschapHet onderzoek van antropogene fenomenen buiten nederzettingen en grafvelden
– dat wil zeggen de inrichting van het cultuurlandschap - staat in Noord-Nederland
nog in de kinderschoenen. Onderzoek in bijvoorbeeld Paddepoel188 [188] Van Es 1968. en recentelijk in
Englum189 [189] Nieuwhof 2001(b).,
nabij Vierhuizen190 [190] Vos 2001(a); 2002(b); Groenendijk &
Vos 2002(b)., de Eemspoort191 [191] Kortekaas 1999; 2000; 2002.,
de omgeving van Leeuwarden192 [192] Waldus 2000; Koopstra 2002;
Vos 2002(a). en bij Sneek193 [193] Vos
2001(a); 2002(b). maakt duidelijk dat het gebied op dit
vlak wel degelijk potentie heeft. Er is echter sprake van
grote regionale verschillen.194 [194] In dat verband is het goed
op te merken dat ook in de archeologie van het Duitse terpengebied veel aandacht
uitgaat naar vegetatieontwikkeling. De uitkomsten ervan zijn echter niet zonder
meer toepasbaar op de Nederlandse situatie, aangezien er aanzienlijke verschillen
bestaan tussen de Duitse en de Nederlandse Noordzeekust. In Duitsland liggen
de zandgronden bijvoorbeeld veel dichterbij (bijna op zichtafstand), zodat
het karakter van de kwelder(bewoning) en de relatie met het achterland anders
is. In het algemeen lijken de kansen voor de Late IJzertijd
en de Romeinse IJzertijd het beste te zijn, omdat op veel plaatsen sprake
is van grootschalige afdekking door natuurlijke sedimenten. Goede voorbeelden
zijn het hoog van Winsum, het gebied rond de Middelzee en de omgeving van
Stiens. Deze gebieden lenen zich voor de ontwikkeling van een landschapsgerichte
benadering. In sommige andere delen van het terpengebied lijkt echter niet
of nauwelijks sprake te zijn van een dergelijke afdekking en zijn oude cultuurlandschappen
in de terpentijd en later mogelijk geheel opgeruimd door agrarische bewerking.
Bij de prospectie van cultuurlandschappelijke fenomenen moet bedacht worden
dat booronderzoek in veel gevallen niet volstaat. Daar waar oude (vondstdragende)
oppervlakten en bodems door natuurlijke of antropogene oorzaken zijn verdwenen,
kunnen greppels en andere structuren nog uitstekend geconserveerd zijn in
het vlak. Het graven van proefsleuven moet daarom ook in de fase van inventariserend
onderzoek altijd als een serieuze, zo niet dwingende optie worden gezien.
Ook daar waar het prospectief onderzoek geen vindplaatsen oplevert is het
verstandig om ingrepen in de bodem vergezeld te laten gaan van geo-archeologische
begeleiding. De mogelijkheden voor pollenonderzoek zijn in Noord-Nederland zeer
gevarieerd. In het terpengebied zelf is het bijvoorbeeld zinloos als het gaat
om deposities die tijdens de bewoning van de kwelders tot stand zijn gekomen.
Monsters hiervan bevatten grote hoeveelheden pollen die niet uit de buurt
of zelfs maar de regio stammen. Een uitzondering kan mogelijk gemaakt worden
voor hoog op terpen gelegen deposities, waarvan duidelijk gemaakt kan worden
dat het pollen is ingewaaid. Pollenonderzoek van venen kan belangrijke gegevens opleveren over
de inrichting van het toenmalige cultuurlandschap. Elke mogelijkheid om een
dergelijk sediment te bemonsteren dient dan ook onmiddellijk te worden benut.
De voorkeur gaat daarbij uit naar veen- of venige afzettingen, voor zover
het natuurlijk geen verslagen veen betreft, want pollenhoudende kleilagen,
die vaker voorkomen, bevatten, zoals hierboven gezegd, met de klei aangevoerd,
ouder (geremanieerd) pollen. Een andere goede vegetatie-indicator vormen mestlagen in (vlak-)nederzettingen;
het hierin aanwezige macroscopisch herkenbare plantaardige materiaal (al dan
niet verkoold) levert gegevens op over de kweldervegetatie waarmee het vee
werd gevoed of dat via het stalstrooisel de nederzetting
binnenkwam.195 [195] Een goed voorbeeld is Grijpskerk-NAM (Groenendijk
& Vos 2002). Ten aanzien van micromorfologisch onderzoek van oude bodems of vegetatieniveau’s
koesteren we bijzondere verwachtingen, hoewel het tot dusver
aan goede voorbeelden ontbreekt.196 [196] Zie echter Exaltus 1999. In de toekomst zou dergelijk onderzoek moeten worden verricht in het
kader van grootschalige (lijnvormige) ingrepen in het landschap. Deze secties
bieden namelijk de mogelijkheid om de belangrijkste gradiënten in het landschap
ook bodem- en vegetatiekundig te beschrijven. 

|