Deel 2 Actuele onderzoeksthema’s2.9 Het kleigebied als frontierzone. Sociaal-politieke en culturele
effecten van de relaties tussen het Noord-Nederlandse kustgebied en het Romeinse
rijk en later het Merovingisch-Karolingische rijkDe Romeinse (IJzer)tijdAl sinds de 19de eeuw bestaat een intensieve belangstelling voor de
structuur en ontwikkeling van West-Germaanse samenlevingen en de invloed die
de Romeinse aanwezigheid hierop uitoefende. Van oudsher lag de nadruk op de
beschrijving van opeenvolgende historische gebeurtenissen zoals die zijn overleverd
door klassieke auteurs, en op een analyse in termen van de verwikkelingen
tussen verschillende etnische groepen (zie 2.8). Op de achtergrond speelden
daarbij ideeën mee die in essentie evolutionistisch van karakter
zijn:155 [155] Bazelmans 1991; Hiddink 1999. tot
voor kort was het gebruikelijk om de ontwikkeling van West-Germaanse samenlevingen
in de Late IJzertijd en de Romeinse tijd te beschrijven als een transitie
van een op verwantschap gebaseerde samenlevingsstructuur naar één die was
georiënteerd op de zogeheten Gefolgschaft. In de eeuwen rond
het begin van de jaartelling zou het ‘natuurlijke’ organisatieprincipe dus
vervangen zijn door een ‘cultuurlijke’. Mede onder invloed van de wisselwerking
tussen de Germaanse wereld en het Romeinse rijk ontwikkelden de vele Kleinstämme uit
de tijd van Tacitus en daarvoor zich tot de weinige Großstämme van
de Laat-Romeinse tijd. Recentelijk heeft Hiddink de historische en archeologische
gegevens die beschikbaar zijn voor het gebied tussen Rijn en Wezer voor de Late en Romeinse IJzertijd opnieuw tegen het licht gehouden.156 [156] Hiddink 1999. Volgens hem is er in de betreffende
periode geen sprake van een structurele wijziging in de sociaal-maatschappelijke
organisatieprincipes. Typerend voor de hele late pre- en protohistorie is
een samenleving waarin koningen, adellijken en hun cliëntèle een vooraanstaande
positie innamen. Hun vooraanstaande positie was direct gerelateerd aan hun
vermogens om aanzien te verwerven via intertribale oorlogvoering en competitieve
geschenkenuitwisseling.
Het belang van Hiddinks proefschrift ligt in zijn constatering dat
het gebied tussen de Rijn en de Wezer, al sinds de Midden-IJzertijd, een in
archeologische zin betrekkelijk ‘arm’ gebied is: rijke graven en deposities
ontbreken vrijwel geheel (in tegenstelling tot bijvoorbeeld het gebied tussen
Wezer en Elbe en verder oostelijk). Volgens Hiddink betekent dit echter niet
dat het gebied in sociaal-politieke zin veel afwijkt (dat wil zeggen meer
egalitair of eenvoudig is) van andere Germaanse regio’s. Historische bronnen
wijzen juist op het tegenovergestelde. Wij onderschrijven Hiddinks conclusie
dat het grafritueel en deposities in het gebied tussen Wezer en Rijn slechts
bij zeer hoge uitzondering de arena vormde voor de expressie van cliëntèle-relaties
tussen koningen, adellijken en volgelingen die zo kenmerkend zijn voor de
samenlevingen in het gebied. Ook voor Noord-Nederland moeten archeologen zich voor de Romeinse
tijd vrijwel altijd tevreden stellen met het gegeven dat het archeologische
vondstmateriaal bestaat uit agrarische producten, ruwe materialen en eenvoudige
kostbaarheden die deel uitmaken van een uitwisselingssfeer die ondergeschikt
is aan de circulatie van kostbaarheden die een rol speelt in de reproductie
van de eer en reputatie van koningen en krijgers. We dienen daarbij echter
te beseffen dat deze sferen van uitwisseling niet op zich staan: wijzigingen
in de aard en omvang van de uitwisseling van grondstoffen en gebruiksgoederen
kunnen van grote invloed zijn op rituele vormen van uitwisseling. Het is dan
ook goed om zowel te kijken naar input vanuit het Romeinse
rijk als naar de inheemse agrarisch-economische ontwikkelingen.
Voor de inheemse agrarisch-economische ontwikkelingen wordt hier verwezen
naar 2.6. Wat de input van goederen vanuit het Romeinse rijk
betreft dienen we ons te oriënteren op een recente studie van Erdrich. Hij
toont vrij overtuigend aan dat er in de Romeinse tijd geen sprake was van
een duurzame, door de tijd heen groeiende handelsimport van Romeinse goederen.
Slechts gedurende een beperkt aantal, betrekkelijk korte en goed te dateren
fasen (zes in totaal voor de Vroeg- en Midden-Romeinse IJzertijd) bereikten
Romeinse goederen het Westgermaanse gebied, en dan vooral
door militaire en diplomatieke contacten.157 [157] Erdrich 1996
(zie ook Erdrich 2002). Het gaat hier om episodes binnen de volgende overkoepelende
fasering: 1) 70-12 v.Chr. (archeologisch niet zichtbaar in Noord-Nederland);
2) 12 v.Chr.-16 n.Chr.; 3) 16-50 n.Chr. (met vrijwel geen importen in het
gehele gebied dat onderwerp van studie is voor Erdrich; 4) 70-100 n.Chr.;
5) 150-200 n.Chr.; 6) 250-270 n.Chr.). Van een intensieve
handel en van een sterke invloed op de economie en ideologie van Germaanse
groepen was dus geen sprake. Het is echter opmerkelijk dat het Romeinse muntbeeld van Friesland
– in tegenstelling tot alle andere provincies ten noorden van de Rijn - grote
overeenkomsten vertoont met de regio direct ten zuiden van
de limes-zone.158 [158] Bazelmans 2004. Cf. Boeles 1917. Toekomstig onderzoek zal duidelijk moeten maken of
hier sprake is van een zekere monetarisering.159 [159] Opmerkelijk
zijn de aanwijzingen voor circulatie van Romeinse munten en objecten ver na
de productiedatum, zie Van der Vin 1999. De Volksverhuizingstijd en de Vroege Middeleeuwen160 [160] Blok 1979 is nog steeds van fundamenteel belang.Al eeuwenlang spreekt het Friese koninkrijk en het
Friese koningschap tot de verbeelding.161 [161] Voor een mooi
voorbeeld, zie Halbertsma 1962-1963(a); 1982.Wie
waren koningen zoals Verritus, Malorix, Finn, Aldgisl, Radbod en Bubo?162 [162] Verritus, Malorix, Aldgisl, Radbod en Bubo worden genoemd in historische
bronnen; Finn in de Beowulf. Van Bubo weten we niet of hij
door zijn eigen mensen als koning werd beschouwd; in de bronnen wordt hij
aangeduid als dux. Waar stonden ze voor?
Waar hadden ze hun residentie? Hoe omvangrijk was hun machtsbereik? Hoe verdedigden
zij de Friezen tegen de oprukkende macht van Romeinen, Merovingen
en Karolingen?163 [163] Voor de Merovingisch-Karolingische expansie,
zie Gerberding 1987; Theuws 1988; Wood 1994. Een ander aspect
dat de verbeelding prikkelt is de zogeheten Friese handel:164 [164] Dirks 1846; Niermeijer 1977; Lebecq 1983. Friezen
uit de 8ste en 9de eeuw worden graag aangeduid als ‘a unique
group of middlemen in western Europe’.165 165[] Hodges 1977, geciteerd
in Heidinga 1999, 5. Cf. Lebecq 1983; Halbertsma 1987. Veel
minder aandacht is uitgegaan naar de effecten van de successievelijke Karolingische
verovering, pacificatie en incorporatie van Noord-Nederland in grotere Europese
netwerken. Het is hier niet de plaats uitvoerig in te gaan op de historiografie
van het Friese koningschap en de Friese handel. Het is wel relevant te constateren
dat het de laatste twee decennia een vooraanstaande rol heeft gespeeld in
het historisch-archeologische debat. Aanleiding vormde de vondst van onderdelen
van de beroemde, (begin?) 7de-eeuwse, koninklijke disc-on-bow fibula
van Wijnaldum-Tjitsma166 [166] Voor deze bijzondere fibula, zie
Mazzo-Karras 1985; Zijlstra 1990-1994; Schoneveld 1993; Bos & Nijboer
1997; Gerrets 1997; Schoneveld & Zijlstra 1999. en de
hausse aan bijzondere, veelal gouden metaaldetectie-vondsten
uit Westergo.167 [167] Besteman, Bos & Heidinga 1992; 1993;
Heidinga 1997; 1999; Gerrets 1999(a);1999(c). In de woorden
van Heidinga was er in het begin sprake van jumping
to conclusions,168 [168] Heidinga 1999, 4. Voor eerdere
twijfels, zie De Langen 1995 en De Langen & Noomen 1996(b). zeker als het ging om de status van Wijnaldum in de Vroege Middeleeuwen;
intussen is met de uitputtende inventarisaties van Knol en Nicolay en de gedeeltelijke
uitwerking van de opgraving Wijnaldum-Tjitsma een empirisch uitgangspunt beschikbaar
gekomen dat een meer afstandelijke beoordeling mogelijk maakt. Bij die beoordeling
moet rekening worden gehouden met de volgende opmerkingen:
- Het betreft hier onderzoeksvragen die zich slechts
laten beantwoorden door onderzoek in het gehele Nederlandse kust- en rivierengebied. De
historische bronnen maken immers duidelijk dat het machtsbereik van Aldgisl
en Radbod en hun onmiddellijke voorganger(s?) in ieder geval het gebied rond
Utrecht en het Midden-Nederlandse rivierengebied omvatte. Het ligt voor de
hand dat de aanwezigheid van deze koningen in Midden-Nederland het resultaat
was van een zuidwaartse expansie in de 7de eeuw vanuit Noord-Holland
en Noord-Nederland.169 [169] Van Es 1994(a); De Langen 1995;
Heidinga 1999, 9. Vergelijk Hallewas et al. 1975; Van Regteren
Altena & Heidinga 1977; Henderikx 1987; Bult & Hallewas 199; Blok
198; Bazelmans, Dijkstra & De Koning 200; Dijkstra in voorbereiding; De
Koning in voorbereiding. Westergo wordt in dit verband vaak
als het oorspronkelijk koninklijke kerngebied genoemd.170 [170] De Langen (1999a) maakt ons erop attent dat het deels verdwenen
Sudergo (met het oudste Staveren, zie De Langen 2000) daarbij niet vergeten
mag worden. Deze uitspraken moeten echter, bij gebrek aan
historische bronnen die hiervoor directe aanwijzingen geven, beschouwd worden
als werkhypothesen.
- Verschillende aannamen in het debat over Fries koningschap
en Friese handel moeten omgebouwd worden in de richting van onderzoeksvragen. Het
betreft hier vooral aannamen met betrekking tot wat in de antropologie ‘het
formaat van de samenleving’ heet: bevolkingsaantallen, -spreiding en -dichtheden;
nederzettingsvormen, verkeersgeografische positie en infrastructuur. Daarnaast
is er dringend behoefte aan een kwalitatieve en kwantitatieve omschrijving
van de agrarische en ambachtelijke productie van de verschillende kustregio's.
- In beschouwingen over de absolute en relatieve rijkdom
aan kostbaarheden van regio’s moet expliciet studie worden gemaakt van de
postdepositionele factoren die het huidige vondstbeeld hebben bepaald. De
kans dat bepaalde kostbaarheden in onze bestanden vertegenwoordigd is namelijk
sterk afhankelijk van een complex geheel van factoren die van regio tot regio
sterk verschillen: bodemkundige karakteristieken, vormen van grondgebruik,
exploitatie van grondstoffen (terpaarde!), institutionele ontwikkelingen in
de regionale archeologie, activiteiten van amateurarcheologen, introductie
van nieuwe prospectietechnieken (de metaaldetector!), etc.171 [171] Exemplarisch maar niet onverdeeld hoopgevend is de studie van Fokkens
1998. De opmerkelijke regionale verschillen in het verspreidingsbeeld
van goudvondsten in Noord-Nederland zijn mogelijk terug te
voeren op postdepositionele factoren.172 [172] Bazelmans, Gerrets
& Pol 1998. Zie ook Bazelmans 2004. De rijkdom van noordelijk
Westergo kan te maken hebben met de goede mogelijkheden voor metaaldetectie
in dit gebied en selectieve collectievorming. Belangrijk in dit verband is
de vergelijking van de verspreiding van verschillende vondstcategorieën uit
verschillende tijdvakken. Het is bijvoorbeeld curieus dat Karolingische kostbaarheden
betrekkelijk gelijkmatig over het hele gebied zijn verspreid.
- Zoals uit de studie van Hiddink blijkt
is het gevaarlijk te veronderstellen dat de maatschappelijke orde altijd tot
uitdrukking wordt gebracht in archeologisch herkenbare omgangsvormen met kostbaarheden.173 [173] Zie ook Diepeveen-Jansen 1998. Dat is sterk afhankelijk
van de vraag welke rituelen in een regio een prominente rol speelden bij de overdracht en ontwikkeling van rechts- en statusposities.174 [174] Bazelmans, Gerrets & Pol 1998, 15-16. Daar
waar dat van oudsher en bij uitsluiting huwelijksrituelen zijn, zal betrekkelijk
weinig archeologisch zichtbaar zijn; dit in tegenstelling tot gebieden waar
het uitvaartritueel een dergelijke functie vervult.
- Verschillende studies maken duidelijk dat het vaak
niet de maatschappelijke orde is die een afspiegeling vindt in de archeologische
dataset, maar juist ingrijpende sociaal-politieke veranderingen. Een
goed voorbeeld zijn de veranderingen die plaatsvinden als regio's geïntegreerd
raken in een groter machtsbereik. Onder invloed van nieuwe coalities met buitenstaanders
moeten statusposities opnieuw gedefinieerd worden en soms vormt het grafritueel
daarvoor de arena bij uitstek. Een mooi voorbeeld is ongetwijfeld de
‘horizon’ van zwaardgraven in Noord-Nederland uit de 8ste eeuw.175 [175] Knol 1993, 238 en 243; Knol 2001; Knol & Bardet 1999. Vergelijk
Theuws & Alkemade 1999.
- Er moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid
dat regionale verschillen in rijkdom staan voor het tegendeel van wat op het
eerste gezicht een vanzelfsprekende interpretatie lijkt te zijn: de
verschillen zouden namelijk kunnen wijzen op een gedifferentieerde, verkeersgeografisch
bepaalde toegang tot ‘economische’ rijkdom die niet gecompenseerd wordt door
de werking van een geïnstitutionaliseerde politieke entiteit. In dat verband
is het significant dat de verschillen in de Karolingische tijd juist wegvallen.
Dan zijn ‘de’ Friezen wel opgegaan in een meer centraal geleid verband.

|  |

|