Geavanceerd zoeken

Start       Leeswijzer              Archeoregio's         Periodes         Thema's         Hoofdstukken home contact

Deel 2 Actuele onderzoeksthema’s

2.8 Etnische ontwikkelingen in het licht van de historische bronnen

Het archeologisch-historische debat over Noord-Nederland wordt van oudsher gedomineerd door de vraag naar de (prehistorische) Friese etnogenese. Immers, zowel in de Romeinse tijd als in de Middeleeuwen en (vroeg-)moderne tijd is er in het Nederlandse kustgebied sprake van Friezen. Wat betekent deze millennialange naamscontinuiteit?142 [142] Cf. Bazelmans 1998; 2000; 2001. Relevante studies: Boeles 1919; 1927; 1951; 1952; De Boone 1954; Blok 1996; Braat 1954; Bremmer 1981; 1990; 1997; Gerrets 1995; 1996; 1999(a); Gerrets, Heidinga & De Koning 1996; Gildemacher 1993; Gosses 1936; Halbertsma 1982; Heidinga 1986; 1987; Jensma 1998; Knol 1993; Lebecq 1983; Quack 1996; Russchen 1967; Slicher van Bath 1949; Taayke 1996; Waterbolk 1952; Wenskus 1977 (1961). Het is hier niet de plaats om in te gaan op de lange traditie in de Ethnische Deutung van verschijnselen en ontwikkelingen die zichtbaar zijn in het archeologische materiaal van Noord-Nederland en aangrenzende gebieden. Hier wordt volstaan met een korte samenvatting van de inzichten hieromtrent zoals die (met de nodige relativerende kwinkslagen) door Taayke worden verwoord in zijn dissertatie over het inheemse aardewerk in noordelijk Nederland in de periode 600 v.Chr. - 300 n.Chr. Immers, dit is de meest recente studie waarin op basis van de analyse van (de ontwikkeling in) aardewerkvormen een expliciet beeld wordt geformuleerd van de in het gebied aanwezige bevolkingsgroepen - in de meeste gevallen aangeduid met uit historische bronnen bekende etnoniemen.

Taayke ruimt in zijn beschouwingen plaats in voor de bespreking van een eeuw onderzoek naar de etnogenese van de Friezen. In het kort komt het daarbij op het volgende neer. Door de eeuwen heen was men gefascineerd door de oorsprong van de eerste bewoners van de Noord-Nederlandse kwelders (zie 2.5 kolonisatiegeschiedenis). Voor velen stond de beantwoording van die vraag gelijk aan de beantwoording van de vraag naar de herkomst van ‘de’ Friezen. Volgens Taayke waren ze niet afkomstig uit West-Friesland (cf. Halbertsma) of uit Drenthe (cf. Waterbolk) maar zijn ze in de laatste fase van de Vroege IJzertijd (in de zesde eeuw, mogelijk iets eerder), in betrekkelijk kleine groepen uit het noordwesten van Nedersaksen (het gebied van benedenloop van de Wezer en de Eems) gekomen. Taayke hanteert geen ethnicum ter aanduiding van deze nieuwkomers. Volgens hem kristalliseerde zich pas in de Midden-IJzertijd een ‘proto-Friese’ eigenheid uit. In het gebied tussen het Oer-IJ in het westen en de Fivel in het oosten zou uiteindelijk in de Late IJzertijd één Friese aardewerkstijl dominant zijn.

Voor de etnische ontwikkeling van het Noord-Nederlandse kustgebied in de (vroeg-)Romeinse tijd zijn, volgens Taayke, de Chauken van bijzonder belang. Het kerngebied van deze etnische groep lag oorspronkelijk tussen de Wezer en de Elbe. Een gestage westwaartse, gedeeltelijk in de historische bronnen gedocumenteerde uitbreiding van het Chaukische invloedssfeer wordt in de eerste eeuw n.Chr. zichtbaar in het aardewerkrepertoire van Groningen (aardewerk van de Wierum-stijl) en later ook van Drenthe. In de eerste en tweede eeuw blijven Noord-Holland, Texel, Westergo en Oostergo één ‘aardewerkprovincie’ van Friese snit.

In het laatste komt echter in de loop van de derde eeuw verandering: de Friese aardewerktraditie gaat geheel verloren en wordt vervangen door aardewerk van de Driesum-stijl. Een sterke achteruitgang in het aantal kustbewoners – volgens Taayke komt het tot een ‘homeopatische verdunning’ van de Friezen - loopt parallel met genoemde ontwikkeling. Taayke oppert dat de ontwikkeling van een forse machtsfactor in het Noordduitse kustgebied en gemeenschappelijke zeeroverij een verklaring kan zijn voor de groeiende eenheid in het gehele kustgebied van de zuidelijke Noordzee.

Taayke is zich in zijn analyse bewust van het feit dat hij alleen gebruik maakt van inheems aardewerk.143 [143] Tevens maakt hij ons attent op de structurele problemen van het archeologisch materiaal als het gaat om het traceren van (dis)continuïteiten in de ontwikkeling van groepen: daarvoor ontbreekt eenvoudigweg de chronologische resolutie van het vondstmateriaal, die niet nauwkeuriger is dan 50 à 100 jaar. Voor een nadere omschrijving van de ontwikkelingsgeschiedenis van (etnische) groepen in Noord-Nederland is het noodzakelijk ook andere materiaalcategorieën en structuur- en complextypen te bestuderen. Iets dergelijks is geprobeerd door Knol voor Noord-Nederland in de Laat-Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Zijn focus ligt weliswaar niet op etnische groepen maar op de identiteit van kerngewesten (pagi), dat wil zeggen: groepen van mensen die wonen binnen een landschappelijke zin duidelijk te begrenzen gebied (Westergo, Oostergo, Humsterland, Hunsingo en Fivelgo). De uitkomsten zijn betrekkelijk teleurstellend, maar daardoor niet minder relevant: geen van de kerngewesten beschikt eigenlijk over een in archeologische zin duidelijke eigen identiteit, afgezien van (geringe) verschillen in het voorkomen van kostbare goederen en importen.144 [144] Deze verschillen kunnen ook geduid worden als het resultaat van de afstand tot de belangrijkste verkeersader, de Vliestroom (De Langen 1995), en door postdepositionele factoren (Bazelmans, Gerrets & Pol 1998 contra Nicolay 1998). We mogen het hier in de toekomst echter niet bij laten: de vraag moet immers zijn hoe verkeersgeografische factoren hebben ingewerkt op de gewestelijke ontwikkeling. Wat betreft Noord-Nederland moet in dat verband vooral gedacht worden aan de afstand tot de Vliestroom. De machtsbasis van de bekende Friese leiders, die niet voor niets in de Vechtstreek en Medemblik en wellicht ook in Staveren gezocht dienen te worden, lijkt het belang van deze factor te onderstrepen.145 [145] Zie Van Es 1994(a); De Langen 1995.

Deze uitkomst maakt ons attent op ten minste drie problemen in de historisch-archeologische studie van identiteiten:146 [146] Voor de in de tekst onder 1) en 2) opgevoerde punten, zie o.a. Wenskus 1977 (1961), Pohl 1991; 1997; 1999; Wolfram 1994.

  1. In hoeverre waren klassieke auteurs in staat (etnische) identiteiten in het Germaanse gebied in sociaal-wetenschappelijke zin ‘waarheidsgetrouw’ te beschrijven? In het Grieks-Romeinse discours over etniciteit speelden gentes een vooraanstaande rol: ze waren ‘van nature’ betrekkelijk onveranderlijk en duidelijk begrensd. In de 19de en 20ste eeuw voelde men zich sterk vertrouwd met deze wijze van beschrijven (vergelijk het Romantische begrip ‘Volk’ en de moderne link met het natie-begrip), maar het is de vraag of deze zienswijze recht doet aan de wijze waarop in het (West-)Germaanse gebied vorm werd gegeven aan de eigen groep;
  2. Dat brengt ons op een tweede punt: historisch en antropologisch onderzoek147 [147] Van fundamenteel belang: Barth 1969. in de tweede helft van de 20ste eeuw heeft duidelijk gemaakt dat etnische identiteit geen voorgegeven kwaliteit van mensen is, maar tot stand komt in interactie tussen mensen en groepen. Etniciteit, zo stellen antropologen tegenwoordig, is niet alleen gegrondvest in betrekkelijk duurzame en gemeenschappelijk voorstellingen en praktijken148 [148] Mensen zijn zich meestal niet expliciet bewust van deze voorstellingen en praktijken; ze worden door socialisatie geïnternaliseerd en belichaamd. maar ook de uitkomst van een proces waarin door personen of groepen voorstellingen, gewoonten en gebruiken worden gebruikt om aan verschillen met anderen en andere groepen uitdrukking te geven.149 [149] Jones 1997, 84-105. De voorstellingen, gewoonten en gebruiken die worden aangevoerd om verschil te maken hebben voor de participanten vaak een oer-oud aura. Een goed begrip van het vloeiende en vergankelijke karakter van etnische verwantschap is alleen mogelijk als studie wordt gemaakt van de specifieke sociaal-historische context en de sociale condities waarin bij het creëren van grenzen tussen groepen delen van het gangbare denken en doen geobjectiveerd en getransformeerd worden;
  3. Via punt 2 komen we aan bij de vraag in hoeverre etnische identiteiten of veranderingen daarin (altijd) zichtbaar zijn in uiterlijke kenmerken die van oudsher in verband worden gebracht met deze vorm van identiteit, zoals herkomst, woongebied, taal, recht, kleding, huisbouw, aardewerk, etc. Van al deze punten is aangetoond dat ze betrekkelijk maakbaar en vloeiend zijn, slechts in bepaalde gevallen als zodanig worden gebruikt en in gecompliceerde en zelfs tegenstrijdige combinaties kunnen voorkomen.150 [150] Cf. Geary 1983; Pohl 1997; 1998. Onderzoek dient zich dan ook te richten op het complexe samenspel van factoren dat ten grondslag ligt aan etnische verandering (etnogenese) en op de vele wisselende vormen en specifieke contexten waarin etniciteit tot uitdrukking wordt gebracht;151 [151] Geary spreekt van etniciteit als een situational construct (zie titel Geary 1983).
  4. Het laatste probleem behelst de recente constatering van vele historici en antropologen dat etniciteit slechts één van de vele vormen van (groeps)identiteit is waartoe mensen zich bewust of onbewust bekennen. Hoewel etnische identiteit in de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen vooral politiek en militair relevant was, en dus een issue voor traditievormende en -dragende elitegroepen, mag naar de mening van de auteurs aan nooit de verleiding worden toegegeven om etnische groepen het onderwerp van geschiedschrijving te laten zijn.152 [152] Pohl 1991; Geary 2002.

Het is duidelijk dat bovenstaande problemen een enorme uitdaging betekenen voor nieuw onderzoek. Veel is te verwachten van DNA-onderzoek;153 [153] Zie Weale et al. 2002 voor genetische aanwijzingen voor de Angelsaksische migratie. het stelt ons in staat bevolkingsgeschiedenissen in genetische zin te beschrijven. Etniciteit is echter geen genetica, maar sociologie. Het is een sociaal fenomeen. En het is niet a priori te bepalen welke elementen een groep gebruikt als symbolen voor haar etnische identiteit. Gezien het feit dat etnische identiteit relevant is op de grens tussen groepen en bij het creëren van nieuwe netwerken lijkt aardewerk niet de meest voor de hand liggende uitingsvorm, maar wel taal154 [154] De taalontwikkelingen in het Noord-Nederlandse kustgebied in de beide millennia blijven hier buiten beschouwing met het oog op de smalle gegevensbasis en het specialistische karakter van het onderzoek. Zie echter Seebold 1995; Van Bree 1997; Looijenga 1997. en uiterlijk.

Voor het in kaart brengen van lichaamsgebonden elementen is de inventarisatie van metalen objecten van groot belang. Zonder afbreuk te willen doen aan het onderzoek van Taayke stellen wij voor om neutrale begrippen te gebruiken voor de door hem in etnische termen benoemde aardwerkgroepen en daarmee de door hem beschreven ontwikkelingen vooralsnog niet etnisch te duiden. Dat betekent niet dat processen van uniformering en diversificatie in aardewerk oninteressant of irrelevant zijn - integendeel. De vraag is echter welke identiteiten in welke situaties en via welke mechanismen worden vormgegeven in aardewerk. Vanuit de veronderstelling dat de aardewerkproductie een activiteit van vrouwen was en kennis over aardewerkproductie via vrouwen werd doorgegeven lijken factoren als huwelijksvoorkeuren en huwelijksvestiging van groot belang te zijn. Een goede duiding van de ontwikkelingen in de productie van aardewerk lijkt alleen haalbaar door deze materiaalcategorie te vergelijken met andere.





terug InhoudLiteratuur vooruit