Deel 2 Actuele onderzoeksthema’s2.7 Bevolkingsomvang en -spreidingOp basis van historische gegevens stelde Slicher van Bath eind jaren
veertig dat het terpengebied in de Volle Middeleeuwen dichter bevolkt was
dan de meeste andere delen van Nederland.131 [131] Slicher
van Bath 1949. Intussen wordt vermoed dat dit ook opgaat
voor de late pre- en protohistorie. De laatste jaren zijn er voor verschillende
regio's in West- en Noord-Nederland schattingen gemaakt van de bevolkingsomvang, -de bevolkingsdichtheid en -ontwikkeling in de late pre- en protohistorie.132 [132] Zie Van Heeringen 1992 en Bloemers 1978 voor West-Nederland in de
late prehistorie en de Romeinse tijd. Voor Noord-Nederland, zie deze paragraaf
(2.7). Deze schattingen zijn in alle gevallen gebaseerd
op resultaten van intensieve surveys, gecombineerd met door
gravend onderzoek onderbouwde ‘guesstimates’ van de bevolking
van verschillende typen nederzettingen. Het onderzoek van Miedema
voor Middag/Humsterland133 [133] Miedema 1983.en Fivelgo134 [134] Miedema 1990; 1999-2000. kan als uitgangspunt dienen voor toekomstig onderzoek naar bevolkingsomvang
en -spreiding tijdens de late pre- en protohistorie in Noord-Nederland.
Het onderzoek van MiedemaIn de jaren zeventig en tachtig maakte Miedema een systematische inventarisatie
van alle bekende vondsten uit de terpentijd voor een belangrijk deel van de
provincie Groningen. Daarnaast voerde zij een intensieve kartering uit van
alle zichtbare en met de boor te traceren terpen. Op basis van deze gegevens,
en in combinatie met een reconstructie van de paleogeografische ontwikkeling
van het gebied, kwam zij tot een schatting van het aantal inwoners in de verschillende
Groningse regio's. Zonder hier nader in te gaan op de details
van haar onderzoek135 [135] De vraag is in hoeverre op basis van
archeologische gegevens goede inschattingen te maken zijn van bevolkingsaantallen
en bevolkingsontwikkelingen. In hoeverre is het bijvoorbeeld mogelijk aan
te tonen dat oude woonplekken gelijktijdig zijn bewoond? kunnen
de resultaten voor Middag/Humsterland als volgt worden samengevat: in de Midden-IJzertijd
woonden er zo’n 200 tot 400 mensen op ca. 90 km2; in de Late IJzertijd waren
dat er 2000 op 130 km2 en in de Midden-Romeinse tijd iets meer dan 3000 op
155 km2. Dat betekent dat de bevolkingsdichtheid steeg van drie à vier inwoners
per km2 in de Midden-IJzertijd, naar 15,4 in de Late IJzertijd en uiteindelijk
naar een maximum van 19,9 in de 2de eeuw n.Chr. Een grove extrapolatie van
deze gegevens levert voor de bevolking van het totale terpengebied in de Late
en Romeinse IJzertijd een schatting op van ongeveer dertig-
tot veertigduizend inwoners,136 [136] Uit de kaart van Zagwijn
van Nederland in de Romeinse tijd blijkt dat het Noord-Nederlandse kweldergebied
ca 2000 km2 omvat (Zagwijn 1986; berekening op basis van een gedigitaliseerde
versie van de kaart). dat wil zeggen éénvijfde
tot een kwart van de huidige bevolkingsdichtheid.137 [
137] Vgl.
Bloemers 1978; Willems 1986; Vossen 2002. De uitkomsten van het onderzoek van Miedema op twee manieren in een
breder perspectief worden geplaatst. In de eerste plaats kunnen we ze vergelijken
met resultaten van onderzoek in vergelijkbare wetlands in
Nederland, zoals West-Friesland, of met gebieden waar nabijgelegen kwelders
een belangrijke rol speelden, zoals Texel. De schattingen van Miedema lijken
in het licht van dit meer recente onderzoek plausibel. In de tweede plaats
kan een vergelijking worden gemaakt met de bewoning van de pleistocene zandgronden
in het eerste millennium voor en het eerste millennium n.Chr.138 [138] Voor bevolkingsaantallen op de (Zuid-)Nederlandse zandgronden, zie
Roymans & Gerritsen 2002. Sterk generaliserend kan gesteld
worden dat in deze gebieden (wellicht met uitzondering van de Midden-Romeinse
tijd) sprake was van bevolkingsdichtheden tussen twee en vijf inwoners per
km2. Het is deze vergelijking die het bijzondere karakter van het terpen-
en kustgebied verduidelijkt. Op het eerste gezicht lijkt het verschil tussen
het kustgebied en het achterland eenvoudig te verklaren. Het verschil in bevolkingsdichtheid
zou terug te voeren zijn op het verschil in biomassa-productie van de gebieden.
Het is mogelijk om op kwelders per hectare één rund te weiden, terwijl daar
op de zandgronden daar mogelijk minstens zes hectare voor
nodig is.139 [139] Brinkkemper 1991; Fokkens 1998. Vooral op basis van dit gegeven (en soms betrekkelijk los van archeobotanische
en archeozoölogische gegevens) heeft zich in de Nederlandse archeologie een
onderzoekstraditie ontwikkeld waarin de survey-gegevens van bepaalde regio's
(en daarmee van de toenmalige bevolkingsaantallen) worden afgezet tegen het agrarische potentieel van de betreffende regio's.140 [140] IJzereef 1981; Miedema 1983; Fokkens 1998; Woltering 2000-2001. Exemplarisch in dit verband is het proefschrift van Woltering over
Texel, dat van speciaal belang is voor het Noord-Nederlandse terpengebied
omdat grote kweldergebieden ook voor Texel een belangrijke
rol hebben gespeeld.141 [141] Woltering 2000-2001. Vanwege het ontbreken van goede datasets lijken vergelijkbare analyses
voor Noord-Nederland vooralsnog onmogelijk. 

|