Deel 2 Actuele onderzoeksthema’s2.5 KolonisatiegeschiedenisVanaf ca. 1000 v.Chr. ontwikkelden zich in het Nederlands-Duitse kustgebied
door een speciale combinatie van factoren uitgestrekte kwelderlandschappen
(zie 2.2). De vraag is - met een expliciete focus op regionale verschillen
- wanneer deze kwelders werden gekoloniseerd, door wie en hoe. Het vermoeden
bestaat dat in de 7de en 6de eeuw v.Chr. sprake was van een stapsgewijze kolonisatie,
waarbij het kweldergebied eerst werd gebruikt voor het weiden van vee tijdens
de daarvoor geschikte seizoenen (vooral in de zomer) en later voor permanente
bewoning. Door natuurlijke kustuitbouw werd er in verschillende gebieden en
in verschillende periodes steeds weer nieuw land gevormd dat in gebruik kon
worden genomen. Deze ‘interne kolonisatie’ werd wellicht voorafgegaan door transhumance.
Mogelijk was er daarna sprake van bedijkte akkerbouw.
De thematiek van de externe kolonisatie is niet alleen
relevant voor de vroegste fasen, maar ook voor de 5de/6de eeuw n.Chr., na
het fameuze maar niet onomstreden bewoningshiaat van de 4de eeuw. De aandacht
moet dus ook uitgaan naar het verlaten van nederzettingen of het ontvolkt
raken van gebieden. De kolonisatie/ontginning van de veengebieden vormt een
apart thema.
Een klassieker is de vraag naar de oorspronkelijke
kolonisatie van het Noord-Nederlandse kustgebied.91 [91] Zie
Woltering 1997 en Fokkens 1998 (127-128) voor korte overzichten van de relevante
posities in het debat. Eeuwenlang werd in dit verband een
beslissende rol toegekend aan de Friese stamvader Friso, die in 313 v.Chr.
met zijn volgelingen uit Perzië in het latere Friesland aankwam. Tot in de
19de eeuw werd aan deze oorsprongsmythe geloof gehecht. Een wetenschappelijk
alternatief werd geboden door Boeles92 [92] Boeles
1927; 1951. en later door Van Giffen. Op basis van overeenkomsten
in de vormgeving van het oudste Fries-Groningse aardewerk trokken zij beiden
de conclusie dat Noord-Nederland was gekoloniseerd door groepen uit het gebied
van Eems, Wezer en Elbe. Beslissend voor de discussie zoals die tot op de
dag van vandaag wordt gevoerd was de publicatie in 1959 van Waterbolks Nieuwe gegevens over de herkomst van de oudste bewoners
der kleistreken.93 [93] Zie ook Waterbolk 1962. Hij sprak van een ‘grootst mogelijke verwantschap’ tussen het vroegste
aardewerk van het terpengebied en het aardewerk uit de laatste
fase van de Drentse urnenvelden.94 [94] Waterbolk sprak over
het aardewerk van het type Ruinen-Wommels. Dit opende in
zijn ogen de mogelijkheid dat de kustbewoners van het Drents Plateau afkomstig
waren. Push- en pull-factoren hadden volgens
Waterbolk een rol gespeeld bij deze immigratie in de tweede helft van de zesde
eeuw v.Chr. In Drenthe waren in betrekkelijk korte tijd vele akkergronden
door eeuwenlange intensieve exploitatie uitgeput geraakt en gaan verstuiven; hier was een situatie ontstaan van overbevolking.95 [95] Later
zal Waterbolk ook voortschrijdende hoogveenvorming als negatieve factor noemen
(Waterbolk 1979). In Friesland en Groningen
daarentegen waren tegelijkertijd aantrekkelijke weidegronden ontstaan.96 [96] In een later artikel gaat Waterbolk in op het mechanisme van de
migratie: aan de definitieve kolonisatie ging een periode van zomerbeweiding
of transhumance vooraf (Van Gijn & Waterbolk 1984).
Twee aspecten van Waterbolks ‘Drenthe-hypothese’ zijn in later jaren
onderwerp van discussie geworden. In de eerste plaats hebben verschillende
onderzoekers hun twijfels geuit over de (uitsluitend) Drentse herkomst van
de eerste kustbewoners. Halbertsma heeft gepleit voor een
Westfriese,97 [97] Halbertsma 1963, 65; 1975, 228-9; 1982, XXVIII. Taayke voor een Noord-Duitse, Fokkens voor Fries-Drentse98 [98] Bedoeld zijn de zandgronden van Zuidwest-Friesland en aangrenzend
Drenthe (Fokkens 1991; 1998, 128 en 148-149). en
Woltering voor een Texelse herkomst.99 [99] Woltering 1997.
Voor Woltering hoeft Texel overigens niet het enige thuisland te zijn: ook
het duingebied tussen het Noord-Hollandse Bergen en het huidige Vlieland komt
er voor in aanmerking (1997, 66). In het dispuut spelen
argumenten van velerlei aard een rol. Welke buurgebieden
waren ten tijde van de eerste kolonisatie bewoond en welke niet?100 [100] In dit verband lijkt een Westfriese oorsprong of een oorsprong in
het Friese zandgebied onmogelijk (zie echter Fokkens 1998, 148). Daar kwam
al ruim voor 600 v.Chr. een einde aan de bewoning.Welke buurgebieden hadden een natuurlijke toegang101 [101] Zie
Fokkens (1998, 128) voor (on)mogelijke toegangsroutes. tot de nieuwe Noord-Nederlandse kwelders en welke niet?102 [102] Woltering (1997) stelt in dit verband terecht dat de paleogeografische
kaarten van Zagwijn een eye opener waren. West- en Noord-Nederland
waren niet van elkaar gescheiden door een groot veengebied maar juist verbonden
door een zich ontwikkelende kwelderzone. Welke groepen
waren bekend met de exploitatie van wetlands en welke niet? Bestonden er mogelijkheden tot regionale specialisatie?103 [103] Fokkens 1998, 148. En, tot slot, welke gebieden
vertonen in hun materiële cultuur overeenkomsten met het
kustgebied?104 [104] Het gaat hier vooral om de verspreiding van
vuurstenen sikkelmessen, begrafeniswijzen (inhumatie vs. crematie) en versieringsvormen
op aardewerk. In de tweede plaats zijn Waterbolks opvattingen
over tempo en invloed van de ecologisch-agrarische en demografische ontwikkelingen
op het Drents Plateau gerelativeerd. Er was geen sprake van een catastrofe
die door overexploitatie, zandverstuivingen en bevolkingsdruk veroorzaakt
was, maar slechts van een geleidelijke achteruitgang van de agrarische productiviteit
die echter nergens leidde tot overschrijding van de natuurlijke
draagkracht.105 [105] Kooi 1979; later onderschreven door Van
Gijn & Waterbolk (1984). De oudste kolonisatie van Noord-Nederland
mag gezien worden als een onderzoeksthema met blijvende waarde. Het is zaak
te komen tot meer gedetailleerde paleogeografische en milieureconstructies
van de verschillende kustregio’s in het Subatlanticum. Daarnaast moeten alle
mogelijkheden benut worden voor het onderzoek van de vroegste vindplaatsen; vooral het onderzoek van terpzolen106 [106] Een ‘terpzool’
is de basis van een terp die ondanks afgraving is achtergebleven. Het begrip
verschilt wezenlijk van het begrip ‘terprestant’: het onafgegraven deel van
een terp die gedeeltelijk is afgegraven. In die gevallen waar een terp maar
gedeeltelijk is afgegraven kan sprake zijn van een combinatie van een terpzool
en een terprestant. – jongere terplagen zijn hier immers
vernietigd – is in dit verband relevant. 
|  |

|