Geavanceerd zoeken

Start       Leeswijzer              Archeoregio's         Periodes         Thema's         Hoofdstukken home contact

Deel 2 Actuele onderzoeksthema’s

2.4 Chronologisch kader en chronologische resolutie

Voor de studie van Noord-Nederland in het eerste millennium v.Chr. en het eerste millennium n.Chr. wordt op hoofdlijnen hetzelfde chronologische kader gehanteerd dat ook voor de rest van Nederland in zwang is. Op detailniveau bestaan echter verschillen. Er bestaat een grote behoefte aan een eigen chronologisch kader voor Noord-Nederland dat recht doet aan de voor het gebied kenmerkende historische ontwikkeling. Hieronder wordt daarop een voorschot genomen met de presentatie van een voorstel voor een nieuwe, bruikbare en consistente periode-indeling. In toekomstig onderzoek zal de nadruk moeten liggen op een verdere operationalisering van het chronologisch kader en van het bereiken van een chronologische resolutie die het mogelijk maakt landschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen met enige nauwkeurigheid te beschrijven. Vooralsnog lijkt die nauwkeurigheid te ontbreken.

Het chronologische kader voor de beide millennia rond het begin van de jaartelling wordt bepaald door twee verschillende invalshoeken: een historische en een archeologische. Beslissend voor de eerste is het onderscheid tussen de prehistorie enerzijds en de protohistorie anderzijds. Op basis van een diep in de historiografie gewortelde beschrijving en analyse van historische processen is de protohistorie nader onderverdeeld in een aantal tijdvakken: Romeinse (IJzer)tijd, Volksverhuizingstijd, Merovingische periode en Karolingische periode. Voor Noord-Nederland is het echter belangrijk te beseffen dat daarmee historische gebeurtenissen en ontwikkelingen buiten het onderzoeksgebied maatgevend zijn. Dat is in het algemeen weinig bezwaarlijk omdat de protohistorische samenlevingen in Noord-Nederland natuurlijk niet in een isolement leefden ten opzichte van de spraakmakende kerngebieden in het zuiden. Hieronder wordt duidelijk gemaakt dat het in een aantal gevallen wel problemen oplevert.

2.4.1 De protohistorie in Noord-Nederland - chronologie en terminologie

De Romeinse (IJzer-)tijd

Het verdient aanbeveling om voor de Romeinse tijd in Noord-Nederland de Duitse en Scandinavische terminologie te hanteren - dat wil zeggen: te spreken van de Romeinse IJzertijd in plaats van de Romeinse tijd. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de Romeinen het gebied nooit duurzaam hebben veroverd, gepacificeerd en geïncorporeerd.78 [78] Men dient te beseffen dat het begrip Romeinse tijd verwarring teweeg brengt bij het grote publiek; voor hen impliceert dit begrip als vanzelfsprekend ook Romeinse bezetting of aanwezigheid. Het legt er tevens de nadruk op dat de ontwikkelingen in Noord-Nederland in de eerste vier eeuwen n.Chr. vooral aansluiten bij de IJzertijd en niet zozeer bij het proces van romanisering dat in deze periode typerend is voor de ontwikkelingen in Midden- en Zuid-Nederland.79 [79] Dit is overigens een thema van onderzoek en geen uitgangspunt.

De Vroeg-Romeinse periode

Sinds een aantal jaren is het gebruikelijk om het begin van de Romeinse tijd in Nederland niet samen te laten vallen met de campagnes van Caesar in Gallië, maar met de het begin van de Germaanse veldtochten van Drusus in 12 v.Chr. Kort ervoor wordt in Nederland, bij Nijmegen, de eerste Romeinse legerplaats ingericht. Er bestaat geen bezwaar om deze grens ook voor Noord-Nederland te hanteren; met het optreden van Drusus werd de Romeinse expansie immers ook in Noord-Nederland daadwerkelijk zichtbaar.80 [80] Dio Cassius noemt de Friezen in zijn beschrijving van de veldtocht van Drusus in 12 v.Chr. (Dio, Historiae 54, 32, 2-2).

De Midden-Romeinse periode

De grens tussen de Vroege en Midden-Romeinse tijd wordt van oudsher gelegd bij de Bataafse opstand. Voor Noord-Nederland moet daarbij echter een kanttekening worden geplaatst. De Bataafse opstand was, ondanks ‘Friese’ of overrijnse participatie, van geen of weinig betekenis voor het noorden. Van veel groter belang voor Noord-Nederland was de feitelijke inrichting van een reeks forten langs de Rijn, enkele decennia eerder (in de jaren veertig van de eerste eeuw). Daarmee kwam namelijk een definitief einde aan de regelmatige aanwezigheid van de Romeinen in Noord-Nederland en aan de Romeinse ambitie tot directe hegemonie over het gebied (voor zover daarvan sprake was). Vanaf dat moment werd de verhouding tussen het Romeinse rijk en de vele groepen in het rechtsrijnse gebied bepaald door diplomatieke contacten, verdragen en incidentele recrutering.

De Laat-Romeinse periode

Het is geen bezwaar om voor Noord-Nederland de periode 260-270 te hanteren als scheidslijn tussen de Midden- en de Laat-Romeinse tijd. De tumultueuze ontwikkelingen in het Noord-Gallië van de late derde en de vierde eeuw hingen immers juist samen met het optreden van groepen uit het Nederlands-Duitse kustgebied.

Het einde van de Romeinse (IJzer-)tijd

Een bijzonder probleem vormt het einde van de Romeinse (IJzer-)tijd. De grens 406/407 is voor Noord-Nederland arbitrair. Het heeft er inmiddels alle schijn van dat Noord-Nederland in de vierde eeuw slechts zeer spaarzaam werd bewoond.81 [81] Voor de discussie over (dis)continuiteit in bewoning in het Noord-Nederlandse kustgebied in de laat-Romeinse tijd, zie Boeles 1919; 1951; 1952; Braat 1954; Taayke 1996; Gerrets, Heidinga & De Koning 1996; Galestin 1996-1997; Bazelmans 2000; 2001. Dat zal echter van regio tot regio verschillend zijn geweest. Het moment waarop het gebied of de deelgebieden opnieuw (duurzaam) werden gekoloniseerd is tot op dit moment niet nauwkeurig gedefinieerd; het vormt een belangrijke onderzoeksvraag. Mogelijk ligt het in de eerste helft van de 5de eeuw.

De Volksverhuizingstijd

Veel onderzoekers hanteren voor de periode tussen ca. 270 en het begin van de 6de eeuw de term Volksverhuizingstijd. Hoewel klein- en grootschalige migraties, ook voor het kustgebied, belangrijk zijn geweest in deze periode, verdient het aanbeveling om terughoudend te zijn in het gebruik van deze term. Hij legt namelijk een eenzijdige nadruk op migratie, terwijl in deze periode ongetwijfeld sprake was van complexe economische, sociaal-politieke en religieus-cognitieve ontwikkelingen. Daarnaast appelleert de term teveel aan sterk verouderde opvattingen over de overgangsperiode tussen Romeinse tijd en Middeleeuwen (de ‘duistere Middeleeuwen’).

De Vroege Middeleeuwen

Ook voor de overige eeuwen van het eerste millennium n.Chr. wordt voor Noord-Nederland een chronologisch kader gehanteerd dat gebaseerd is op ontwikkelingen in Midden- en Zuid-Nederland (het Frankische gebied).82 [82] Vaak is er echter ook sprake van een betrekkelijke willekeur: in veel gevallen wordt het gebruik van de gangbare periodenaanduidingen en -begrenzingen vermeden door dateringen te vermelden in eeuwen. Dat lijkt voort te komen uit het besef dat Noord-Nederland tot in de eerste helft van de 8ste eeuw geen deel uitmaakte van het Frankische rijk. In de meeste Europese gebieden sluit het chronologische kader aan bij gangbare modellen van staatsvormingsprocessen in de zogeheten successor states van het Romeinse rijk.83 [83] Daarbij hoeft niet alleen gedacht te worden aan staatsvorming binnen het oude gebied van het Romeinse rijk, maar ook daarbuiten. Zie voor Denemarken bijvoorbeeld Hedeager 1992. Voor Noord-Nederland is dat nauwelijks bruikbaar: in dit gebied was hoogstwaarschijnlijk geen sprake van vergelijkbare staatsvormingsprocessen – zeker niet op de schaal van bijvoorbeeld de Franken.84 [84] Als er al sprake was van staatsvormingsprocessen zijn deze in ieder geval niet (afdoende) in de historische bronnen gedocumenteerd. Er zijn wel aanwijzingen (wellicht vanaf de 6de eeuw) voor een structurele afhankelijkheidsrelatie – overigens van sterk wisselende intensiteit – ten opzichte van het Merovingische koningshuis en later het Karolingische (konings)huis. Het ligt dan ook voor de hand om de volgende periodisering te gebruiken:

  • tot ca. 481: ‘Volksverhuizingstijd’ (met bovengenoemde kanttekening)
  • van ca. 481 tot 751: Merovingische periode
  • 751-925: Karolingische periode
  • 925-1024: Ottoonse periode

De periode tussen ca 675 en 751 kan worden aangeduid als de Laat-Merovingische/Karolingische periode. Deze periode markeerde de stapsgewijze integratie van het Friese territorium in Midden-, West- en uiteindelijk ook Noord-Nederland (na 734) in het Merovingische rijk.

2.4.2 Aardewerk-typochronologieën

(Late) Bronstijd en IJzertijd

Voor de (Late) Bronstijd en IJzertijd wordt in Nederland een chronologisch kader gehanteerd dat slechts gedeeltelijk overeenkomt met de ons omringende landen. Omdat metalen voorwerpen in het Nederlandse vondstmateriaal vrijwel ontbreken is er geen koppeling mogelijk met Franse en Duitse chronologieën die een onderscheid maken in verschillende Halstatt- en la Tène-fasen. In Nederland is de constructie van een bruikbaar chronologisch kader vooral afhankelijk van de relatieve ordening van aardewerktypen en de absolute verankering ervan. Het grootste deel van de absolute dateringen van aardewerkcomplexen is gebaseerd op 14C-dateringen (en niet op dendro-dateringen). Het probleem met 14C-dateringen uit de IJzertijd is echter bekend: na calibratie worden zij vertaald naar betrekkelijk lange kalenderjaar-perioden.

Aardewerkstudies

Enkele jaren geleden publiceerde Taayke een relatieve typochronologie van het Noord-Nederlandse aardewerk.85 [85] Taayke 1996. De opeenvolging van aardewerktypen wordt door hem gekoppeld aan absolute dateringen. Taayke’s studie moet echter als ‘voorlopig’ worden gekwalificeerd, aangezien hij grotendeels is gebaseerd op losse vondsten en er een gebrek is aan goed gedateerde vondstcomplexen.

Op basis van het aardewerk maakt Taayke een onderverdeling in de volgende perioden: a) 800-600 v.Chr.; b) 600-400 v.Chr.; c) 400-200 v.Chr.; en d) 200-1 v.Chr.86 [86] Vgl. Woltering 1996-1997, 213, figuur 3. Deze perioden corresponderen volgens hem met respectievelijk a) de eerste twee (van de drie) eeuwen van de Vroege IJzertijd; b) het laatste derde van de Vroege IJzertijd en de eerste helft van de Midden-IJzertijd; c) de tweede helft van de Midden-IJzertijd; en d) de Late IJzertijd. Zo geformuleerd betekent dat voor Noord-Nederland een (absolute) datering voor verschillende periodengrenzen die enigszins afwijkt van wat in de rest van Nederland gebruikelijk is:

FIGUUR

Periodisering van het eerste millennium v.Chr. en het eerste millennium n.Chr. in Noord-Nederland. In stippellijnen is de typochronologische fasering in het handgevormde aardewerk aangeduid.

Voor het dateren van archeologische fenomenen uit de Romeinse tijd is men in Noord-Nederland voornamelijk afhankelijk van lokaal geproduceerd, handgevormd aardewerk. Immers, het grootste deel van het ‘culturele’ vondstmateriaal bestaat uit aardewerk. Ook voor dit materiaal is de dissertatie van Taayke van het grootste belang; hij maakt een onderscheid tussen typen en sets van typen die ruwweg zijn toe te schrijven aan de volgende perioden: de 1ste eeuw n.Chr., de periode 100 tot 250 n.Chr. en de periode 250 tot 350 n.Chr.

Soms is het mogelijk vondstcomplexen of sporen en structuren uit de Romeinse tijd te dateren met behulp van importen. Onlangs is gebleken dat er vaak een relatie bestaat tussen de influx van Romeins materiaal en betrekkelijk incidentele bemoeienissen van de Romeinse overheid met rechtsrijnse groeperingen.87 [87] Erdrich 1996. Daarbij dient te worden aangetekend dat het vaak onduidelijk is hoe het moment van productie zich verhoudt tot het moment van depositie.88 [88] Zie de verschillende materiaalstudies in Besteman et al. 1999.

Voor de Romeinse IJzertijd beschikken we over een goedgefundeerde en gepubliceerde typochronologie van lokaal geproduceerd aardewerk. Voor de rest van het eerste millennium n.Chr. is dat echter niet of nauwelijks het geval.89 [89] Zie Taayke & Knol 1992. Dit geldt ook voor de kogelpotten, ondanks de studie van Verhoeven 1996. Deze studie verdient verdieping als het gaat om de gewestelijke diversiteit en de kenmerken van de productie. Voor deze periode is het archeologisch onderzoek sterk afhankelijk van de dateringsmogelijkheden van importmateriaal. Het onderzoek van Wijnaldum-Tjitsma heeft uitgewezen dat grootschalig onderzoek mogelijkheden biedt voor een fasering van de vroegmiddeleeuwse bewoning. Noodzakelijk daarvoor is de gecombineerde inzet van natuurwetenschappelijk vormen van datering, het gebruik van Harris-matrices en de datering van importvondsten. In Wijnaldum-Tjitsma heeft dat een redelijke chronologische resolutie opgeleverd, hoewel niet nauwkeuriger dan op vijftig tot honderd jaar.90 [90] Gerrets & De Koning 1999.

Natuurwetenschappelijke datering

Tot slot mag benadrukt worden dat de grootste voortgang met betrekking tot een goede chronologische resolutie op vindplaatsniveau wellicht niet bereikt zal kunnen worden met ‘klassieke’ middelen (aardewerktypologie) maar door een veel systematischer inzet van 14C-datering en dendrochronologie.





terug InhoudLiteratuur vooruit