Deel 2 Actuele onderzoeksthema’s2.3 Zee, wadden, kwelders en venen - een bijzondere leefomgevingHet Noord-Nederlandse kustgebied vormde een bijzonder leefmilieu,
waarvan we ons heden ten dage nauwelijks meer een goede voorstelling kunnen
maken. Voor een beter begrip van de voor Noord-Nederland relevante onderzoeksthema’s
is het daarom goed de verschillende delen van het toenmalige landschap de
revue te laten passeren. Het Noord-Nederlandse landschap veranderde in de loop van het Holoceen
voortdurend van plaats. Flora en fauna pasten zich aan deze wisselende landschapscondities
aan. Het kustlandschap werd in sterke mate beïnvloed door de aanwezigheid
van zout water. Dat gold echter niet voor alle gebieden, zoals de veenrandgebieden
en de waddeneilanden. Het ontstaan van dit in ecologische zin gradiëntrijke
en dynamische landschap werd bepaald door een reeks van factoren. Niet alleen
de relatieve hoogte ten opzichte van gemiddeld hoog water was in dit verband
van belang (deze bepaalt immers de duur en frequentie van overspoeling), maar
ook de afwatering en de beluchting van de bodem, het bodemtype, het zoutgehalte
van het overspoelende water, de aanwezigheid van zoet water van rivieren,
venen en hoger gelegen gronden, de aanwezigheid van organisch materiaal in
water en wind en last but not least menselijke invloed (begrazing,
bemesting en hooien). In grote lijnen zijn binnen het kustgebied vier zones
te onderscheiden:
- zee
- wadden
- kwelders
- veen
Hieronder zullen deze zones de revue passeren, met speciale aandacht
voor het karakter en de interne variatie van de kwelders. 1) ZeeOnder de zee verstaan we hier niet alleen de Noordzee, maar ook het
deel van de achter de kusteilanden gelegen lagune dat permanent onder water
stond. Het betrof hier ongetwijfeld vis- en schelpdierrijke gronden. Moderne
referentiebeelden zijn ongeschikt om ons een beeld te vormen van het toenmalige
bestand; zij zijn immers het product van eeuwenlange patronen van intensieve
vangst. In de beschouwingen over de zee als exploitatiebron moeten overigens
ook rekening worden gehouden met grassen en wieren. Uit historische bronnen
is bekend dat deze gebruikt werden als meststof, brandstof en vezels. 2) WaddenHiertoe worden die gebieden gerekend die bij eb meestal droog komen
te liggen en bij vloed overstroomd raken. Dit is een zone die niet of nauwelijks
begroeid is. Het was wel mogelijk om hier te voet zeegrassen, zeewieren en
schelpdieren te verzamelen. 3) KweldersVoor de bewoners van het kustgebied waren de kwelders het belangrijkst.
Hier woonde men, hier weidde men het vee en bedreef men akkerbouw. De kwelders
vormen echter geen homogene zone; er zijn ten minste vier zones te onderscheiden:
een pionier-zone, een lage kwelder, een middenkwelder en een hoge kwelder. Elke zone heeft zijn eigen plantengemeenschappen.72 [72]
Westhoff & Van Oosten 1991; Schaminée, Weeda & Westhoff 1998; Körber-Grohne
1992; Van Zeist 1974; Nieuwhof 2001. De pionierzone is het
gebied tussen het wad en gemiddeld hoogwater en kent een vegetatie die voor
het belangrijkste deel bestaat uit zeekraal en schorrekruid. Zeekraal draagt
sterk bij aan de opslibbing van de kwelder doordat de vegetatieve uitlopers
van kweldergras erin blijven hangen. Als ook het kweldergras zich vestigt,
ontstaat vrij snel een dichte vegetatie die op zijn beurt weer de sedimentatie
van slib en zand bevordert. Zo ontstaat een lage kwelder, dat wil zeggen:
dat deel van de kwelder dat hoger ligt dan gemiddeld hoogwater (en lager dan
gemiddeld hoogwater bij springvloed). De lage kwelder, die tot ca. 50 cm boven
gemiddeld hoogwater lag, kenmerkte zich door een vegetatie van voornamelijk
gewoon kweldergras. De lage kwelder wordt weliswaar niet bij elke vloed overstroomd,
maar wel tijdens springvloed en tijdens sterke windopzet. Dit houdt in dat
de pre- en protohistorische kwelders ook ’s zomers periodiek onderliepen. Kweldergras houdt veel organisch materiaal vast en vormt zelf ook
veel afgestorven resten. De bodem raakt doorworteld en het organisch gehalte
wordt verrijkt – kortom: de bodem begint te ‘rijpen’. Beweiding is beslissend
voor de verdere ontwikkeling van de begroeiing: in dat geval kan het gewoon
keldergewas zich handhaven, ook al groeit de kwelder door naar middenkwelder.
Meestal leidt beweiding van een lage kwelder echter niet tot een vergroting
van de soortenrijkdom. Ontbreekt beweiding, dan ontstaat een associatie van
lamsoor en zeeweegbree. Bij gemiddeld hoogwater ligt de ondergrens van de middenkwelder bij
springvloed; dat betekent een maximum overspoelingsfrequentie van gemiddeld
minder dan vijftig dagen per jaar. De hogere delen van de middenkwelder overspoelen
echter nog veel minder frequent. De bovengrens ligt ruim boven de ondergrens;
dat wil zeggen zo’n 80 cm boven gemiddeld hoogwater. In deze zone komt een
vegetatie tot ontwikkeling die vanuit het oogpunt van beweiding en het verzamelen
van hooi zeer aantrekkelijk is: zilte rus is hier dominant. Afhankelijk van
de hoogteligging, de beschikbaarheid van zoet water, de zandigheid/kleiigheid
van de bodem en de mate van begrazing ontstaan verschillende varianten van
de associatie van de zilte rus. Beweiding leidt meestal tot een vergroting
van de soortenrijkdom. Uit onderzoek te Wijnaldum, Dongjum (alle Friesland), Englum en Wierum
(alle Groningen) blijkt dat de eerste bewoning al tot stand kwam op het moment
dat sprake was van een middenkwelder. In zo’n situatie kan per definitie geen
sprake zijn van permanente bewoning in de vorm van een vlaknederzetting. Indien
bewoning die meer omvatte dan enkele weken verblijf gedurende de zomermaanden,
dan moet er sprake zijn geweest van podia die bescherming boden tegen een
zeer hoge waterstand. De hoge kwelder, tot slot, wordt alleen incidenteel overstroomd: bij
een bijzonder hoge springvloed en/of stormvloed. Het hoogste deel wordt de
kwelderzoom genoemd. Hoewel het gehele kweldergebied boomloos was, met
uitzondering wellicht van de terpen zelf,73 [73] Geen enkele
in Europa bekende boomsoort kan ontkiemen in een zilte bodem. Enkele wilgensoorten,
zwarte els en berk kunnen op terpen hebben gegroeid. Deze zijn bestand tegen
zeewind en kunnen een enkele overstroming overleven (mond. meded. A. Nieuwhof,
Groningen). Al het andere hout moet zijn geïmporteerd, ofwel per schip of
als vlot. Later, in de Middeleeuwen, groeiden er op terpen ook wel vruchtbomen.
Het verkrijgen van hout voor het bouwen van huizen, waterputten en doodskisten
(voor het laatste, zie Casparie 1991) moet altijd een belangrijke issue geweest
zijn in het terpengebied. Griede 1978, 138-139. ontbrak
het niet aan een gevarieerde fauna van vogels en zoogdieren. Ook begrazing
door ganzen, hazen, herten en reeën kan van invloed zijn geweest op de kweldervegetatie.
4) VeenHet Noord-Nederlandse kweldergebied werd in de beide millennia rond
het begin van de jaartelling aan de zuidzijde begrensd door een enorm laag-
en hoogveengebied. Daar waar de ontwatering door natuurlijke oorzaken of menselijk
ingrijpen werd versterkt, leende dit gebied zich mogelijk voor akkerbouw en
bewoning. In bepaalde delen zal het ook geëxploiteerd zijn ten
behoeve van brandstof- en zoutwinning.74 [74] Griede 1978, 138-139. Het gebruik van in het binnenland gesitueerde veengebieden
is niet of nauwelijks onderzocht voor Noord-Nederland.75 [75] Een
uitzondering vormen de (vaak kleinschalige) onderzoeken in Hempens-Teerns
(Waldus 2000), Leeuwarden-Bullepolder (Koopstra 2002), Sneek-Tinga (Niekus
2002), Sneek-Rondweg (Niekus & Huisman 2002), Scharnegoutum, Eemspoort
(Kortekaas 1999; 2000; 2002). Er zijn echter wel mogelijkheden
voor onderzoek; vooral daar waar venen overdekt zijn geraakt met klei. In
West-Nederland zijn al wel de nodige gegevens beschikbaar over de kolonisatie
van veengebieden die daar vanaf de Vroege IJzertijd plaatsvond (zie het NOaA-hoofdstuk
West Nederland in de late prehistorie). Er lijkt daar sprake van een relatie
tussen de kolonisatie en een grotere diversiteit aan voedselgewassen vanaf
de Vroege IJzertijd. Bovendien lijken er in West-Nederland stadia in het kolonisatieproces
te onderscheiden. Het heeft er alle schijn van dat er in eerste instantie
sprake was van seizoensmatige exploitatie (zie 2.5). Het is interessant te
onderzoeken of voor Noord-Nederland vergelijkbare data kunnen worden gegenereerd.
Daarnaast biedt de toetsing van de West-Nederlandse modellen interessante
perspectieven, asmede het door Van Gijn en Waterbolk opgestelde model voor
de kolonisatie van de Noord-Nederlandse kwelders (zie 2.5). Daarbij moet onderscheid
worden gemaakt tussen de kwelders, de randveenzone en/of (de latere)klei-op-veengebieden,
de veengebieden direct gelegen aan rivieren en de veengebieden die ver verwijderd
lagen van de kwelders. Op de grens van veen en klei was waarschijnlijk al
in de Late IJzertijd en Romeinse IJzertijd en opnieuw vanaf
de vroege 8ste eeuw sprake van ontginning en kolonisatie.76 [76] Goede
voorbeelden: Sneek-Tinga, Sneek-Rondweg en Hempens-Teerns. Van
de meer perifere veengebieden is (nog) niets bekend over eventuele bewoning
in de (Romeinse) IJzertijd of Vroege Middeleeuwen. Aangenomen mag worden dat
de veengebieden langs de rivieren pas in de Karolingische tijd werden gekoloniseerd
en ontgonnen. De grootschalige ontginningen dateren echter
pas uit de late 9de/10de eeuw.77 [77] De Langen 1998; Ligtendag
1995. 
|  |

|