Deel 2 Actuele onderzoeksthema’s
2.2 De regio’s en hun landschappelijke ontwikkeling
Deelregio’sHoloceen Noord-Nederland kent een duidelijke landschappelijke
geleding die onlosmakelijk verbonden is met de morfologie (geometrie) van
de pleistocene ondergrond.49 [49] In deze paragraaf
worden de gewestelijke namen gehanteerd zoals die in de Vroege Middeleeuwen
zijn ontstaan en sindsdien worden gebruikt. Formeel is dat niet juist omdat
die indeling aansluit bij de landschappelijke situatie van dat moment. Tijdens de laatste ijstijden zijn door ijswerking (stuwing) en erosie
hogere ruggen en dalen ontstaan. Via de dalsystemen stroomden aan het einde
van de laatste ijstijd (het Weichselien) lokale rivieren zoals de Vlie, Boorne,
Hunze en Fivel naar zee. Bij de beschrijving van het gebied is het gebruikelijk
om met Westergo in het westen te beginnen en met Fivelgo in het oosten te
eindigen. Daardoor bestaat ten onrechte weinig aandacht voor het grote gebied
dat zich uitstrekt tussen Westergo en het voor erosie resistente,
pleistocene hoog van Texel.50 [50] Lenselink & Koopstra
1994. Voor Texel en omgeving: zie Woltering 1994 en 1996-1997. In de IJzertijd en de Romeinse IJzertijd strekte zich hier ter weerszijden
van de Vliestroom een omvangrijk wad- en kweldergebied uit, dat ongetwijfeld
intensief werd gebruikt en bewoond. Al op 16de-eeuwse kaarten maakte men zich
op basis van klassieke bronnen een voorstelling van dit gebied. Ook
op recente paleogeografische kaarten figureert het,
51 [51] Zagwijn
1986; De Mulder et al. 2003. hoewel het
gebied en zijn ontwikkeling door een gebrek aan gegevens nooit in detail te
reconstrueren zal zijn. Dit door de zee verzwolgen gebied zal uitdrukkelijk
moeten worden meegenomen in beschouwingen zaken als over erosie- en sedimentatiegeschiedenis,
de kolonisatiegeschiedenis, de verkeersgeografische structuur en het agrarisch-economische
potentieel van Noord-Nederland. Op kleinere schaal geldt hetzelfde voor het
Dollardgebied, waar een flink stuk oever van de beneden-Eems in de Late Middeleeuwen
ten prooi viel aan het water en het oude bewoningspatroon alleen nog met behulp
van schriftelijke bronnen kan worden gereconstrueerd.
De beschrijving van de verschillende deelregio’s en hun landschappelijke
ontwikkeling is gebaat bij een meer omvattend Noord-Nederlands perspectief.
Tot in de late prehistorie werd de ontwikkeling van het Noord-Nederlandse
kustgebied bepaald door de postglaciale, wereldwijde zeespiegelstijging. Als
gevolg hiervan werden de pleistocene rivierdalen van de Boorne, Hunze en Fivel
door de zee overstroomd en veranderden deze riviersystemen in mariene getijdenbekkens.
Door de mariene verdrinking en de vernatting in het omliggende gebied (veenvorming)
werden oude mesolithische en neolithische bewoningsmogelijkheden op de lager
liggende pleistocene gronden in Noord Nederland successievelijk vernietigd. Ongeveer vijfduizend jaar geleden vertraagde de stijging van de zeespiegel.
De mariene getijdenbekkens van de Boorne, Hunze en Fivel slibden geleidelijk
aan dicht en er kwam er een einde aan de mariene verdrinking van het achterland.
Tussen de kustlijn (die tijdens het midden-Holoceen iets ten noorden van de
huidige Waddeneilanden lag) en het pleistocene achterland ontstond een gevarieerd
landschap van eilanden, wadden, kwelders, venen en uitlopers van de hoge zandgronden
(‘pleistocene koppen’). De oeverwallen langs rivieren en kwelders
boden nieuwe mogelijkheden voor bewoning die in de Late Bronstijd en deVroege
IJzertijd voor het eerst werden benut. Vanaf dat moment (en tot op de dag
van vandaag) is het gebied vrijwel ononderbroken bewoond geweest. Van regio
tot regio bestaan er echter forse verschillen in de bewoningsgeschiedenis.
Een geschiedenis van het terpengebied is dan ook altijd de optelsom van de
geschiedenissen van de individuele regio’s. PaleogeografieAl in het midden van de 15de eeuw bestond in Nederland het besef dat
het kustgebied van de Noordzee sinds het begin van de jaartelling
aan forse veranderingen onderhevig was geweest.52 [52] Zie de
‘paleogeografische’ bijkaart in de kaart van Ortelius’ kaart
van de Nederlanden (1579). Deze bijkaart gaat terug op een kopie van Sibrandus
Leo van een manuscript-kaart van Joachim Hopper, een Fries in dienst van de
Spaanse koning. Uit die tijd dateren ook de eerste kaarten
die een indruk proberen te geven van het Nederlandse grondgebied in de Romeinse
tijd. Zij vormen de basis voor een paleogeografische traditie, waarin de Nederlandse
geologie zich tot op de dag van vandaag wezenlijk onderscheidt van de omringende
landen. Voor Noord-Nederland zijn tegenwoordig paleogeografische reconstructies
beschikbaar die in grote lijnen de genese van dit kustgebied schetsen vanaf
het einde van de laatste ijstijd tot aan het moment van de bedijking. Daarnaast
zijn van verschillende deelgebieden (Texel, Westergo en de Lauwerszee) gedetailleerde
paleogeografische kaarten beschikbaar die de landschappelijke ontwikkelingen
documenteren in de late prehistorie en protohistorie.53 [
53] Griede 1978; Fokkens 1991 en 1998; Knol 1993; Woltering 2000; Vos
1999; Groenendijk & Vos 2002(a). Bij de productie van
deze paleogeografische kaarten is aansluiting gezocht bij de nieuwste ontwikkelingen
in de studie van het Nederlandse kustgebied.
Kustgenese: van trans- en regressie naar erosie en sedimentatieTot voor kort werd de vorming van het Nederlandse kustlandschap in
hoofdzaak verklaard door de combinatie van twee externe - gebiedsonafhankelijke
- factoren: de postglaciale, relatieve zeespiegelstijging en de fluctuaties
in deze zeespiegelstijging. De schommelingen in de zeespiegelstijging zouden
in het hele Nederlandse kustgebied een cyclische opeenvolging van trans-en
regressieve fasen hebben veroorzaakt. De laatste jaren is echter met recht
gepleit voor een bredere procesmatige benadering van de holocene kustgenese:
de ontwikkeling van de verschillende (Nederlandse) kustregio’s wordt
nu opgevat als het resultaat van de wisselwerking tussen de relatieve zeespiegelstijging,
de vorm van de pleistocene rivierdalen, de aanvoer van sediment en - vanaf
de laatste fase van het Holoceen - het ingrijpen van de mens.54 [54] Beets, Van der Spek & Van der Valk 1994; Beets & Van der
Spek 2000; Vos 2001(a); 2001(b); 2002(a); 2002(b). Onlangs heeft Behre (2003)
een nieuw beeld geschetst van de postglaciale zeespiegelstijging en de ontwikkelingen
in de laatste drie millennia, geduid in termen van trans- en regressies. Daarbij
moet echter de kanttekening gemaakt worden dat het hier gaat om fasering die
alleen geldig is voor de Duitse Bocht. Een vergelijking met de opeenvolging
van trans- en regressieve periodes in verschillende Nederlandse kustgebieden
maakt namelijk duidelijk dat ze niet samenvallen (mond. meded. Vos (TNO-NITG);
zie ook Vos & Kiden 2005). Het probleem is dat men buiten Nederland niet
bekend is met de Nederlandse ‘afrekening’ met het trans-/regressie-model
(zie ook hoofdstuk West-Nederland in de Late Prehistorie). Daarbij
moet worden bedacht dat de aanvoer van sediment op haar beurt wordt bepaald
door een drietal factoren die meestal een lokale en regionale variatie laten
zien: de beschikbaarheid van sediment, de horizontale en verticale ruimte
voor afzetting en het transportmechanisme. Het ‘procesmatige’
model is ook voor het Noord-Nederlandse onderzoek uiterst vruchtbaar omdat
zo de aanzienlijke variatie in landschappelijke ontwikkeling tussen de diverse
deelregio’s beschreven kan worden. In Noord-Nederland vormde de zeewaartse kant van de eilanden en de
achter de eilanden gelegen wadvlaktes de belangrijkste bron
van sediment voor de getijdenbekkens.55[55] Groenendijk &
Vos 2000, 60. De erosie van deze zones leidde tot een landwaartse
beweging van de eilanden. Het geërodeerde sediment dat via de getijstromen
naar de getijdenbekkens werd getransporteerd leidde ertoe dat de bekkens ondieper
werden en dat de kwelders aan de achterzijde aangroeiden. Vanaf het midden-Holoceen
werd het gebied waar de zee vrij in- en uit kon stromen door deze verlanding
geleidelijk aan kleiner. Omdat de getijslag (getijdenamplitude) in
de loop van het Holoceen steeds groter werd,56 [56] Vos &
Van Kesteren, 2000. ging het totale getijvolume in het Noord
Nederlandse getijdengebied (= de hoeveelheid water die tijdens eb en vloed
in en uit het getijdensysteem stroomt) niet sterk achteruit. Omdat het getijvolume
niet wezenlijk kleiner werd, nam ook de totale grootte van de getijdengeulen
en zeegaten niet af. Door de landwaartse verplaatsing van de kustlijn (deze
kwam in het Laat-Holoceen ter hoogte van de huidige Waddeneilanden te liggen)
en de zeewaartse verplaatsing van de kweldergebieden in de getijdenbekkensystemen
kwamen de zeewaartse kwelders steeds dichter tegen de kustlijn en de grote
zeegatsystemen aan te liggen. Hierdoor namen de energetische condities tijdens
extreem hoogwater in deze kweldergebieden toe. De kwelderafzettingen die zich
langs de getijdenkreken en de waddengebieden vormden werden daardoor in de
loop van het Holoceen (vanaf ca. 2000 tot 1000 v.Chr) steeds zandiger (‘klei
met kronkelige zandlaagjes’). Als gevolg daarvan ontwikkelden zich betrekkelijk
zandige en hoge kwelderruggen langs de zeewaartse kwelderranden, ook wel kwelderwallen
genoemd. Vanaf de Bronstijd breidden deze zandige kwelders zich - in de getijdenbekkens
van de Boorne (Westergo), Hunze en Fivel - in (noordelijke) horizontale en
verticale richting uit over de wadvlaktes. Hoog opgeslibde kwelders die minder
dan vijftig dagen per jaar overstroomden – zogeheten middenkwelders
– waren geschikt voor bewoning, maar dan alleen op terpen: bewoning
van vlaknederzettingen was in dit milieu uitgesloten. Tot slot moet hier aandacht besteed worden aan de ontwikkelingen in
de meer zuidelijke gebieden die niet direct tot het kustgebied gerekend hoeven
te worden, maar waarvan de geschiedenis sterk bepaald wordt door de kustgenese:
de pleistocene gebieden van Friesland, Groningen en Drenthe die in de loop
der tijd met veen overdekt raakten. Hoewel de uiteindelijke, volmiddeleeuwse
veenverspreiding op basis van bodemkundige en historische kaarten en naamkundig
onderzoek kan worden gereconstrueerd is het betrekkelijk moeilijk het holocene
proces van vernatting van de zandgronden en de opvolgende
overvening te reconstrueren.57 [57] Zie Fokkens 1998, 46-55. Voor een dergelijk reconstructie staan twee wegen open. In de eerste
plaats een empirische: het verzamelen en ‘plotten’ van C14-gedateerde
veenvoorkomens. In de tweede plaats een modelmatige: een vergelijking van het Pleistocene oppervlak met de zeespiegelcurve.58 [58] Op
de paleogeografische kaarten van Knol 1993, Fokkens 1998, Vos (i.e. de NOaA-generatie
van de Zagwijn-kaarten (oorspronkelijk 1986)) en Spek 2004 zijn beredeneerde
reconstructies te vinden van de verspreiding en genese van het veen in Noord-Nederland. Het is van groot belang dat nieuwe ontsluitingen van veenpakketen,
juist ook van kleine veenrestanten in verder geheel verveende gebieden, goed
worden bemonsterd, beschreven en gedateerd. Landschappelijke dynamiek: WestergoOp regionaal niveau tekenen zich aanzienlijke variaties af in het
hierboven beschreven patroon van erosie en sedimentatie. Deze variatie werd
bepaald door de aan- of afwezigheid van sediment, de lokale energetische condities
en het ingrijpen van de mens. Westergo is een mooi voorbeeld. Voor dit gebied
beschikken we over de meest gedetailleerde beschrijving van
de geologisch-landschappelijke ontwikkeling.59 [59] Fokkens
1998; Vos 1999. Een betekenisvol begin kan hier gevonden
worden in het moment dat door de vermindering van de zeespiegelstijging een
situatie ontstond waarbij de kustlijn zich niet langer terugtrok en er sprake
was van een opvulling van het erachter gelegen getijdenbekken. Door sedimentatie
groeiden kwelders in een noordelijk richting uit over de wadvlakten; in het
achterland werd zware klei of knipklei afgezet. Vanaf ca. 700 v.Chr. waren
er in het Oude Land (het zuidelijke deel van Westergo) middenkwelders beschikbaar
die zich leenden voor een eerste bewoning op terpen. Aanvankelijk bestond Westergo in feite uit twee delen: één
ten westen en één ten oosten van een V-vormig bekken. Tijdens
de hele pre- en protohistorie was er aan de oostzijde sprake van een hogere
en meer zandiger opslibbing dan aan de westzijde. Dit is terug te voeren op
verschillen in energetische condities waaronder sedimentatie plaatsvond. Het
westelijke deel lag tijdens storm in de luwte van de Grienderwaard. Daardoor
waren daar de golven (golfenergie) van de Waddenzee minder krachtig en bezonk
daar relatief veel fijnkorrelig sediment. Zo’n bescherming ontbrak aan
de oostzijde. Dit kweldergebied was tijdens noordwesterstormen blootgesteld
aan een sterke golfaanval, golven die via het Friese zeegat vanuit de Noordzee
binnen kwamen. Als gevolg van de hoog-energetische condities kwam tijdens
storm in de kwelderrandzone van het oosten van Westergo veel zandig materiaal
tot bezinking. Zoals hierboven beschreven werd, breidde Westergo zich in de loop
van de IJzertijd en de Romeinse (IJzer-)tijd geleidelijk aan uit in noordelijke
richting. Hierbij ontstonden successievelijk nieuwe kwelderwallen
die zich leenden voor bewoning.60[60] Voor het ontstaan van
kwelderwallen, zie Vos 1999. Op basis van gidsartefacten
is de stapsgewijze kolonisatie van deze wallen goed te volgen.61 [61] De Langen et al. 1997(a); 1997(b); 1997(c); De
Langen & Hommes 1998; De Langen & Nierstrasz 1998. Tussen
250 en 500 n.Chr. raakte het gehele getijdenbassin van Westergo opgevuld en
groeide uit tot een uitgestrekt middelhoog kweldergebied. In de loop van de
Middeleeuwen verdwenen de sedimentatieverschillen tussen de oostelijke en
westelijke helft geleidelijk aan door de erosie van de Grienderwaard. Langs
de noordelijke rand van Westergo ontstond één grote afsluitende
kwelderwal. In de protohistorische ontwikkeling van Westergo tekenen zich twee
belangrijke factoren af. Tussen de derde en vijfde eeuw raakte de kust hier
zo hoog opgeslibd dat alle kreken uit het achterland verstopt raakten. De
afwateringsrichting keerde daardoor om en oriënteerde zich vanaf dat
moment op de getijdensystemen van de Marne en de Middelzee. Door de voortgang
in de zeespiegelstijging en de ontwatering (exploitatie door de mens) kwamen
grote delen van het veen- en kleigebied van zuidelijk Westergo steeds lager
te liggen. Daardoor kon de zee via beide systemen steeds makkelijker het land
binnendringen. In de loop van de 8ste-10de eeuw resulteerde de bodemdaling
en de daarmee gepaard gaande vergroting van de komberging-(of getijvolume)
in het diep uitslijten van brede getijdengeulen tot ver in het binnenland.
Zelfs tot Sneek was de getijdengeulvergroting merkbaar; daar
maakte de Marne contact met de Middelzee.62[62] Vos 2001; 2002(a)
; 2002(b). Vanaf de 10de eeuw werd de opslibbing door mariene
sedimentatie geleidelijk aan belangrijker dan de vergroting van de komberging
door bodemdaling; langzaamaan slibde het achterland weer hoog op. Grote delen
van Westergo (en Oostergo) werden in de daarop volgende periode bedijkt. In
zo’n vijfhonderd jaar tijd raakte de Middelzee tussen de nieuwe dijken
langzaam aan volledig opgevuld. Landschappelijke dynamiek: Oostergo en overige regio’sJammergenoeg heeft Oostergo sinds het promotieonderzoek van Griede weinig in de belangstelling gestaan van geologen.63[63] Griede
1978. Het verschil in ontwikkeling met Westergo is opmerkelijk,
maar niet onverklaarbaar. De ontwikkeling van Oostergo is namelijk voor een
belangrijk deel bepaald door het feit dat in de ondergrond geen pleistoceen
dalsysteem voorkomt maar juist een pleistocene rug (kop) - een uitloper van
het Drents Plateau. Terwijl de getijdenbekkens van de Boorne en de Hunze tijdens
het vroeg-Subatlanticum verlandden, werden in die tijd de veengebieden –
die zich op de hooggelegen pleistocene zandgronden van Oostergo hadden gevormd
– juist overstroomd door de zee en vormden zich daar nieuwe kweldergebieden.
Hier was dus sprake van een laatprehistorische en protohistorische uitbouw
van de kwelderkust (ten koste van het veengebied) in landwaartse richting.
Door landwaartse kwelderuitbouw in de gebieden met de pleistocene koppen in
de ondergrond en de zeewaartse uitbouw van de kwelders in de getijdenbekkens
in het vroeg-Subatlanticum ontstond er in de Romeinse tijd een min of meer
rechte, oost-west lopende kwelderkustlijn, grenzend aan het waddengebied van
de Noord-Nederlandse Waddenzee. In het gebied van de latere Lauwerszee, Middag/Humsterland
en Hunsingo, is de ontwikkeling goed te vergelijken met Westergo.64[64] Groenendijk & Vos 2000. Ook hier speelt een
diep in de ondergrond gelegen beekdal een prominente rol, namelijk dat van
de Hunze. Rond 1500 v.Chr. kwamen in de V-vormige monding van de Hunze de
eerste kwelders tot ontwikkeling. Deze breidden zich in een periode van duizend
jaar geleidelijk aan uit in noordwaartse richting. Rond het begin van de jaartelling
was daardoor ook hier sprake van een rechte, lijnvormige overgang tussen kwelder
en wad, parallel aan de eilanden aan de kust. Deze lijn verschoof in de paar
eeuwen daarna nog iets in noordwaartse richting. In het Hunze-kweldergebied
deden zich later (in de 8ste eeuw en daarna) weer zeer ingrijpende veranderingen
voor. Voortgaande zeespiegelstijging en antropogene maaiveldverlaging in de
veen- en kleigebieden hadden een omvangrijke mariene transgressie tot gevolg, waardoor de Lauwerszee ontstond.65 [65] Zie Groenendijk
& Vos 2000, 60-61 voor de wijze waarop antropogene maaiveldverlaging en
mariene transgressie een onomkeerbaar proces van erosie veroorzaakten dat
pas na vier- tot zeshonderd jaar stopte. De vorming van
dit mariene inbraaksysteem vertoonde grote parallellen met de genese van de
Middelzee. Vanaf de 11de eeuw werd ook hier het verlandingsproces door opslibbing
weer belangrijker dan de antropogeen beïnvloede bodemdaling. Mede daardoor
kwam in de kwelderrandgebieden de bedijking op gang. De indijking van het
gehele geïnundeerde gebied werd pas ver in de 20ste eeuw definitief voltooid.
De bouw van de zeesluizen bij Zoutkamp in 1877 vormde een keerpunt; het betekende
het definitieve einde van de mariene invloed in het achterland via het Reitdiep
(eertijds zelfs merkbaar tot in de stad Groningen). De genese van de Fivelboezem is in grote lijnen vergelijkbaar met
de kustontwikkeling in het Boorne-bekken (Westergo) en het Hunze-bekken (Middag/Humsterland).
Ook hier zien we de geleidelijke zeewaartse ‘verkweldering’
van het getijdenbekken en de bekkenmonding.66 [66] Miedema 1990
en 1999/2000. Alleen vond hier de definieve verlanding (‘verkweldering’)
van het hele systeem later plaats dan in het Boorne- en Hunze- bekken. In
de Fivelboezem moest een groter zeegat gesloten worden dan in de Hunzemonding,
wat tot de vorming van langer en breder uitgebouwde haakwallen leidde. Karakteristiek
is hier het overheersende oostwaartse sedimenttransport, dat in de luwte van
de haakwallen vooral de westoever van het Fivel-estuarium deed aangroeien.
Het is opmerkelijk is dat zich hier in de loop van de Vroege Middeleeuwen
geen mariene transgressie van enige omvang voltrok (elders werden die door
natuurlijke en antropogene factoren veroorzaakt). De Fivelboezem was en bleef
in die tijd voor het grootste deel een waddengebied. Een antropogeen gestuurde
transgressieve ontwikkeling vond wel verder oostelijk plaats, in het Dollardgebied;
hier manifesteerde het zich echter pas tussen de 14de en het begin van de
16de eeuw. Ten oosten van het stroomgebied van de Fiemel/Oude Ae vormde zich
toen de Dollardboezem. De ingrediënten voor de vorming van een nieuwe
zeeboezem waren echter al voorhanden. Ten oosten van de weinig erosieve kleizone
van het dal van de Oude Ae lag namelijk een uitgestrekt veengebied, van de
beneden-Eems slechts gescheiden door een smalle kleistrook: de oeverwalzone.
De veenontginningen die vanaf de 9de eeuw van start gingen, leidden uiteindelijk
tot een enorme maaivelddaling met navenante problemen voor de afwatering,
zelfs zo dat het spuien bij laag water problemen ging opleveren.67[67] Casparie & Molema 1990. De vorming van de
zeeboezem ging gepaard met de opruiming van ca. 11 km Eemsoever en een groot
deel van het achterliggende veengebied, waarin alleen het zogeheten schiereiland
van Winschoten, een keileemhoogte, gespaard bleef. De geologie en bodemvorming
in het Dollardgebied zijn uitvoerig beschreven door De Smet;68 [68] De Smet 1961. sindsdien is er geen wezenlijk nieuw
onderzoek verricht. Veel onduidelijkheid bestaat nog over de ouderdom van
de ‘Eemsklei’ die in verdronken beekdalen plaatselijk onder de
Dollardklei voorkomt. De Smet noch Roeleveld kaderen de sedimentatieperiode
van deze klei bevredigend in; de datering ervan beweegt zich heel ruim tussen
het einde van het 3e millennium en de Vroege Middeleeuwen. Een betere geologische
inkadering zou de mogelijkheden voor een landschapsreconstructie en een reconstructie
van de vestigingsfactoren voor de mens aanzienlijk kunnen
verbeteren.69 [69] Zie ook de deelstudie ‘Oude Ae’
in Groenendijk 1997(a). Relevante onderzoeksvragenIn toekomstig onderzoek zal op basis van geologische en archeologische
gegevens een nauwkeurig beeld verkregen moeten worden van zowel de stijging
van de zeespiegel in de beide millennia rond het begin van de jaartelling
als van de trends in getijdenamplitude en (extreme) stormvloedhoogtes. De
laatste – die afhankelijk zijn van de lokale topografie en morfologie
– kunnen mede op basis van de woonniveau’s op
de terpen worden vastgesteld:
70 [70] Vos 1999. de
hoogte daarvan biedt namelijk een aanwijzing voor de hoogtes die men op basis van generatielange ervaring als veilig beschouwde.71 [71] Van Giffen gaf in feite al een vroege aanzet voor absolute hoogtebepalingen
van woonniveaus met zijn ‘archeologische verkenmerken’ (Van Giffen
1930). De curves voor gemiddeld en extreem hoog water moeten
in combinatie met paleogeografische kaarten gebruikt worden voor simulaties
van de effecten van overstromingen op het gebied. De effecten van klink, compactie,
zout- en gaswinning moeten in deze problematiek worden betrokken. 
|  |

|