Geavanceerd zoeken

Start       Leeswijzer              Archeoregio's         Periodes         Thema's         Hoofdstukken home contact

Deel 2 Actuele onderzoeksthema’s

2.10 De kerstening van Noord-Nederland

De historische gegevens wijzen erop dat de kerstening van de Friese landen een langdurig proces was. De eerste missiepogingen van Willibrord werden gefrustreerd door Radbod. Pas na de dood van deze Friese leider in 719 maakte het christendom meer kans van slagen, al was het nog geen gelopen race. De kerstening van Friesland tussen Vlie en Eems moest bijvoorbeeld wachten op de Frankische verovering in 734 en zelfs toen kon de kerk niet meteen volledig worden geïnstalleerd. De dood van Bonifatius te Dokkum in 754 was een teken dat de Friezen niet direct en massaal tot het christelijke geloof overgingen en dat een meer geleidelijke en decentrale kersteningsstrategie moest worden gevolgd. Na de dood van Bonifatius diende Dokkum voor de Utrechtse kerk als basis voor verdere missie, maar pas na de Saksenopstand van 782 konden de Friese streken aan weerszijden van de Eems en in het Beneden-Wesergebied aan de kerk worden toegevoegd, in dit geval aan de nieuw gestichte bisschopszetels te Munster en Bremen. Zo bezien beslaat de kerstening van de Friese kuststreek ten oosten van het Vlie dus meer dan een eeuw.176 [176] Mol 2004. Ook de kerkstichtingen maken duidelijk dat Friesland niet meteen een ‘land vol kerken’ was. Tussen Vlie en Lauwers werden de eerste kerken in de tweede helft van de 8ste eeuw gesticht vanuit de abdij van Echternach en de bisschopskerk van Utrecht. Beide instellingen waren nauw met het Karolingische rijksgezag verbonden. In het begin van de 9de eeuw verwierven verre kloosters weliswaar bezittingen in de Friese landen (door overdracht van Frankisch koningsgoed en vrome schenkingen) maar een belangrijke kerk als de Sint-Vitus van Leeuwarden werd niet voor het midden van de 9de eeuw gesticht. Het vlakdekkende systeem van moederparochies werd pas in de 10de eeuw voltooid.177 [177] Noomen 1999.

Archeologie en kerstening

Globaal is al wel aan te geven welke gevolgen de kerstening binnen de afzonderlijke nederzettingen heeft gehad in materiële zin. Een vergelijking tussen de Merovingische tijd en de 10de eeuw levert de volgende veranderingen op: voor de komst van het christendom in de 8ste eeuw werden de doden in het Friese kustgebied zeer plaatselijk (op dorpsniveau) begraven dan wel gecremeerd. Het christendom zorgde vervolgens voor ingrijpende veranderingen in de organisatie van de dodencultus. Na de 8ste eeuw werd crematie niet meer toegepast en raakten de meeste vroegmiddeleeuwse grafvelden in onbruik, zonder dat elke terp daar een christelijk grafveld voor terugkreeg. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het feit dat juist in deze tijd de eerste kerken gesticht werden, die aanvankelijk klein in aantal waren. De cultus in deze kerken en de bijbehorende grafvelden bedienden een vrij groot gebied.178 [178] De Langen & Noomen 1996(c). Met de latere kerkstichtingen werd de cultus en het begraven opnieuw gedecentraliseerd.

Het is niet bekend wanneer het volmiddeleeuwse systeem van begraven bij de kerk regel werd. Gezien de aard en duur van de overgang naar de historische gedocumenteerde gebruiken is het aannemelijk dat er een overgangsperiode is geweest waarin nieuwe gebruiken stapsgewijs of lokaal werden ingevoerd en oude gewoonten al dan niet langzaam werden afgebouwd. Zo moet worden aangenomen dat in de eerste tijd na de Frankische verovering wel degelijk christelijke grafvelden werden aangelegd, zonder dat er ter plaatse (al) sprake was van een kerk. Dit zal vooral en langer het geval zijn geweest naarmate de afstand tot de centrale kerk (als die al gesticht was) groter was.

Het einde van de crematierite

In detail en op plaatselijker niveau is de kerstening moeilijker te vatten. Het vroegste christelijke grafritueel is namelijk nauwelijks onderzocht, zodat elke gelegenheid tot nader onderzoek aangegrepen dient te worden. De beste mogelijkheid om grip te krijgen op de komst van het christendom is te kijken naar het afschaffen van de crematie en het verlaten van de oude grafvelden,179 [179] Knol, 1993(b). in zekere zin dus door middel van negatieve bewijsvoering. Het stoppen van crematie lijkt verband te houden met de stapsgewijze verovering van de verschillende gewesten. Zo komen na het midden van de 8ste eeuw crematiegraven alleen nog voor ten oosten van de Lauwers. Dit lijkt te bewijzen dat de kerstening in de Friese Landen snel effect heeft gehad, hetgeen in contrast lijkt te zijn met de historische gegevens. Maar hier is een kanttekening op zijn plaats: Het kan niet uitgesloten worden dat het cremeren in Westergo al eerder op zijn eind liep; uit dit gewest zijn namelijk nog geen urnen uit de 8ste eeuw bekend, terwijl in Fivelgo nog tot in de 9de eeuw werd gecremeerd, hetgeen meer in lijn is met een geleidelijke worteling van het nieuwe geloof. Er kunnen dus ook andere verklaringen zijn voor het stoppen van cremeren. Het is dus goed mogelijk dat er geen relatie bestaat tussen het einde van de crematierite en het begin van de daadwerkelijke kerstening. Het Merovingische grafritueel was immers niet stabiel, maar aan veranderingen onderhevig. Wellicht was het opgeven van crematie - iets waar de veroveraars op zullen hebben gestaan - in Westergo en mogelijk zelfs Oostergo niet eens zo ingrijpend. In elk geval verdienen de mogelijke verschillen tussen de gewesten nadere studie. Een betere indicatie zou daarom het staken van lijkbegravingen op de oude grafvelden bieden, ware het niet men hier stuit op de dateringsproblematiek van vondstloze inhumaties.

Christelijke begravingen

De kerstening en de daarop volgende installatie van de kerk kan ook met positieve bewijsvoering zichtbaar worden gemaakt, dat wil zeggen via de aanwezigheid en de verspreiding van christelijke graven. Dit vraagt echter om scherpe dateringen. Mede daarom is enige kennis van de ruimtelijke context van deze begravingen zeer nodig - een eis die vaak moeilijk in te willigen is. Deze problematiek kan worden toegelicht aan de hand van de mogelijke vondstomstandigheden.

Allereerst kunnen de eerste christelijke begravingen zijn voltrokken binnen of direct aangrenzend aan een ouder grafveld. In dat geval dient het onderzoek zich te richten op het onderscheiden van deze graven. Christelijke begravingen zijn idealiter te herkennen door het ontbreken van bijgaven en hun west-oost-oriëntatie. Nu is inmiddels bekend dat de vroegste christelijke graven nog wel degelijk bijgaven kunnen bevatten. Daarnaast kan de oriëntatie van deze graven afwijken van latere christelijke graven. En dat terwijl niet-christelijke graven evengoed bijgavenloos kunnen zijn en west-oostgericht. In elk geval kan worden gesteld dat op het niveau van individuele begravingen de gezochte scheidslijn niet per se scherp te trekken is.

Ogenschijnlijk eenvoudiger is de duiding van grafvelden uit de 8ste en vroege 9de eeuw, die zijn aangetroffen binnen oudere nederzettingen en duidelijk gescheiden zijn van de Merovingische grafvelden.180 [180] Knol, 1993(a); 1993(b). Goede voorbeelden van dergelijk ogenschijnlijk nieuwe, maar moeilijk te dateren inhumatiegrafvelden zijn die van Oosterbeintum in Oostergo en Aalsum in Humsterland. Het lijkt erop dat we hier te maken hebben met goed herkenbare gevolgen van de kerstening, ten minste wanneer de datering nauwkeurig kan worden vastgesteld. Grafvelden uit de late 9de en 10de eeuw grafvelden bieden minder informatie over de kerstening, al levert hun aanwezigheid wel aanwijzingen op over de ontwikkeling van de kerk als organisatie van moederparochies, zeker wanneer de grafvelden (en niet de nederzetting!) na de 10de eeuw zijn verlaten. Zij kunnen trouwens ook inzicht bieden in afwijkingen van het ‘ideale model’ van begraven bij de kerk. Bij de interpretatie van graven in verder gelegen Karolingische stichtingen is voorzichtigheid geboden, zeker als het om een enkel graf gaat. Er is trouwens ook sprake van afgezonderde, niet-christelijke begravingen.

Tenslotte kunnen de oudste christelijke begravingen deel uitmaken van een historisch kerkhof met kerk. Helaas hebben kerkbouw en latere begravingen in de oudste christelijke cultusplaatsen veel van de oudste sporen verstoord. Bovendien maken de aanwezigheid van de huidige kerk en kerkhof onderzoek van enige omvang onmogelijk. Nu is deze ruimere armslag echter wel nodig. Een enkel 8ste-eeuws graf maakt niet per se het omringende christelijke grafveld zo oud, aangezien discontinuïteit van begraven niet uitgesloten is - zeker in het geval van jongere kerkstichtingen.

(Vormen van) continuïteit

Ondanks de overgang naar het christelijke geloof kan er sprake zijn geweest van bepaalde vormen van continuïteit. Het gaat hierbij niet alleen om het gebruik om de doden giften mee te geven of, minder waarschijnlijk, christenen binnen de oude grafvelden te begraven. Ook de mogelijke relatie tussen de belangrijkste vroegste christelijke en pre-christelijke cultusplaatsen verdient nader onderzoek.

Het zal echter duidelijk zijn dat dit onderzoek problematisch is. Zo moet de onderzochte nederzetting wel in de Merovingische periode bewoond zijn geweest, want onderzoek in stichtingen op maagdelijke grond hebben in dit opzicht weinig zin. Dit heeft niet alleen betrekking op de ouderdom van de nederzetting als geheel maar ook op de plaats van de kerk zelf. Hier zit het de onderzoeker niet mee. Zo werden tussen Vlie en Lauwers de oudste kerken - althans die in het terpengebied - op aparte (deels) nieuwe heuvels opgericht, zodat continuïteit in de vorm van elkaar opvolgende bouwwerken niet te verwachten is.

Het ontstaan van plaatsen met een centrale functie op het gebied van cultus en grafritueel ging waarschijnlijk hand in hand met de concentratie van niet-agrarische activiteiten. Dit onderwerp is iets beter onderzocht en heeft geleid tot het model van verzorgende hoofddorpen die in de late 9de en 10de eeuw ontstonden onder bescherming van de belangrijkste kerken. De verspreiding van deze hoofddorpen houdt rekening met de economische en landschappelijke situatie zoals deze na 850 ontstond. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen op basis waarvan men koos voor de locatie van de oudste kerken. Zeker in het geval van de kerken die na 850 werden gesticht lijkt het economische en landschappelijke aspect doorslaggevend te zijn geweest.

Wapengraven

In dit verband vormen ook de 8ste-eeuwse wapengraven een interessant fenomeen.181 [181] Knol & Bardet, 1999; Knol, 1993(b); 2001. Ze lijken te verwijzen naar de dreigende verovering door de Franken, of naar de sociaal-politieke onrust vlak erna.182 [182] Cf. Theuws & Alkemade 2000. Zij zijn, ondanks de gewestelijke verschillen, uit het hele kustgebied bekend, zij het spaarzaam in Westergo. Wapengraven zijn zeer lokaal en in niet-christelijke context aangetroffen.

Een werkhypothese

Bovenstaande gegevens vormen de basis voor de volgende werkhypothese. Als gevolg van de kerstening, maar met enige vertraging als gevolg van de verovering door de Franken, werden aparte christelijke inhumatiegrafvelden met een sterk lokaal karakter ingericht. De periode 734/782-850 wijkt in dit opzicht af van de periode waarin de parochie-indeling met moederkerken tot stand kwam en het gebruik van begraven bij de kerk ingeburgerd raakte. Nader onderzoek is gewenst, waarbij een gewestelijke oriëntatie en scherpe dateringen een must zijn.





terug InhoudLiteratuur vooruit