Geavanceerd zoeken

Start       Leeswijzer              Archeoregio's         Periodes         Thema's         Hoofdstukken home contact

Deel 1  Stand van onderzoek en wetenschappelijke potentie

1.2 Onderzoeksgeschiedenis

In verschillende publicaties is de geschiedenis van het onderzoek naar de laatprehistorische en protohistorische bewoning van Noord-Nederland – vrijwel altijd synoniem met het onderzoek van terpen of het ontstaan en de ontwikkeling van terpen (het zogeheten ‘terpenprobleem’) - redelijk goed gedocumenteerd.7 [7] Halbertsma 1963; Elzinga 1973; Boersma 1991; Kramer 1991; De Langen 1991; Knol 1991; Bos 1995; Bazelmans 2000. Daarom wordt de onderzoeksgeschiedenis hier niet en detail behandeld. Een overzicht op hoofdlijnen is om verschillende redenen echter wel nuttig. In de eerste plaats maakt het duidelijk dat veel van de nu gangbare onderzoeksthema’s al veel langer in het centrum van de belangstelling staan. Het is goed te beseffen dat vaak diep in de tijd gewortelde en veelal impliciete vooronderstellingen en aannames onze blik op het verleden (mede) bepalen. In de tweede plaats geeft de geschiedenis van het onderzoek ons inzicht in de wijze waarop onze huidige kennis tot stand is gekomen. De onderzoeksgeschiedenis is onlosmakelijk verbonden met wat in de archeologie wordt aangeduid als ‘postdepositionele processen’; dat wil zeggen: factoren die bepalen welke archeologische resten wel of niet deel uitmaken van het wetenschappelijke gegevensbestand. In de derde plaats maakt een geschiedenis van het onderzoek ons gevoelig voor de onmogelijkheden en mogelijkheden voor toekomstig onderzoek. Wat gold als een nuttige onderzoeksstrategie en wat niet?

De Friese mythe

Met recht kan men een geschiedenis van het archeologische onderzoek in het Noord-Nederlandse kustgebied in de 19de eeuw laten beginnen. Het is echter goed om kort stil te staan bij het werk van verschillende vroegmoderne oudheidkundigen die zich, zonder dat zij de beschikking hadden over toevalsvondsten of de resultaten van gericht veldonderzoek, uitspraken over het verleden van de Noord-Nederlandse kustbewoners. Ze deden dit uitsluitend op basis van historische bronnen, de Bijbel en etnologische analogieën.8 [8] Waterbolk 1952. Daar waar in de 16de en 17de eeuw in het kernland van de Republiek een ‘Bataafse mythe’ werd gekoesterd,9 [9] Het begrip Bataafse mythe is van de historicus Schöffer, zie Teitler 1998 en Langereis 2004. werd in Noord-Nederland zaak gemaakt van wat we met net zo veel recht een ‘Friese mythe’ kunnen noemen. In tegenstelling tot de Bataafse variant kon deze zelfs bogen op een middeleeuwse oorsprong.10 [10] Waterbolk 1952. In het kort kwam de (ontstaans)mythe er op neer dat: 1) de Friese bewoners van het kustgebied de directe nazaten waren van de Friezen die genoemd werden in klassieke en (vroeg)middeleeuwse bronnen; 2) de Friezen van oudsher in vrijheid en gelijkheid hadden geleefd; en 3) de Friezen een specifieke, diep in de tijd gewortelde en betrekkelijk onveranderlijke taalkundig-culturele identiteit bezaten.

Door de tijd heen zijn verschillende varianten op van deze Friese mythe te onderscheiden. De 19de-eeuwse romantische variant heeft tot ver in de 20ste eeuw grote invloed uitgeoefend op het archeologisch onderzoek. Vandaag de dag van vandaag zijn onomwonden vertegenwoordigers van de Friese mythe niet meer expliciet aanwijsbaar.11 [11] De laatste was Herre Halbertsma, zie Halbertsma 1982. Dat betekent echter niet dat hij irrelevant is geworden; hij lijkt zelfs de agenda voor onderzoek en het onderzoeksperspectief nog steeds mede te bepalen, bijvoorbeeld in het onderzoek naar de vroegste kolonisatiegeschiedenis,12 [12] Cf. Woltering 1997. in het herkennen van een proto-Friese eigenheid in de vorm en versiering van aardewerk13 [13] Waterbolk 1962 en Taayke 1996. en in de reconstructie van een Fries koningschap en machtsbereik aan de hand van prestigieuze vondsten.14 [14] Bijv. Besteman, Bos & Heidinga 1992 en Nicolay 1998. Cf. Bazelmans, Gerrets & Pol 2000.

Cruciaal voor het onderzoek in de toekomst is een perspectief waarin los van de Friese mythe, maar sociaal-wetenschappelijk onderbouwd, serieus zaak wordt gemaakt van de relatie tussen de constructie van sociaal-culturele identiteiten (meervoud!) in materiële cultuur enerzijds en geo-ecologische, politiek-economische en sociaal-culturele processen anderzijds.

Terpenonderzoek in de eerste fase: het verzamelen van toevalsvondsten

In het onderzoek van de laatprehistorische en protohistorische archeologie van Noord-Nederland kan een drietal fasen worden onderscheiden. De eerste fase begint met de eerste decennia van het nog jonge Koninkrijk der Nederlanden en omvat de gehele 19de eeuw. Daar waar Reuvens geldt als icoon voor het eerste serieuze en ambitieuze archeologische (veld)onderzoek op landelijk niveau, kan voor Noord-Nederland verwezen worden naar R. Westerhoff en G. Acker Stratingh, die in 1827 en 1828 de eerste gerichte opgravingen in Groninger terpen lieten verrichten. Deze onderzoekingen stonden aan aan het begin van een periode waarin de nadruk lag op het verzamelen van toevalsvondsten en niet of nauwelijks op gericht veldonderzoek.

Het verzamelen van vondsten kreegt vanaf ca. 1845 een enorme impuls door de zogeheten terpafgravingen, de winning van vruchtbare terpaarde voor agrarische doeleinden.15 [15] Van Bemmelen 1868; voor Friesland, zie Wiersma 1906 en Arjaans 1991. Het grootste deel van de archeologische vondsten uit Noord-Nederland is verzameld in de periode van de commerciële terpafgravingen, dat wil zeggen tussen 1845 en 1945.16 [16] Miedema 1983 en Knol 1993 voor Groningen en Volkers 1992 voor Friesland. Intussen is echter duidelijk geworden dat het huidige vondstbeeld onlosmakelijk verbonden is met de geschiedenis van de terpafgravingen. Zo zou het interessant zijn om nader vast te stellen in hoeverre het vondstbeeld is bepaald door een voorkeur voor bepaalde objecten, door de verspreiding van terpafgravingen, de wijze van afgraving, de institutionele ontwikkeling van musea en genootschappen en de activiteiten van individuele onderzoekers.

Hoewel Plinius (zie boven) al sprak over door de mensen opgeworpen hoogtes was het nog in het begin van de 19de eeuw de vraag of de terpen door de natuur of de mens waren opgeworpen. Die vraag kon door veldonderzoek snel en eenduidig beantwoord worden. De precieze ontstaanswijze van de terpen was daarmee echter nog niet uit de doeken gedaan. Invloedrijk op dit vlak was het bezoek van de beroemde Italiaanse archeoloog Pigorini en J. Dirks, vooraanstaand lid van het Friesch Genootschap, aan de terpafgraving van het Friese Aalsum in 1881.17 [17] Pigorini 1883 en Dirks 1883. Zie ook Halbertsma 1963, 33-35. Zij constateerden dat de terpen de historische variant vormden van de prehistorische terremares uit de Italiaanse Po-vlakte, dat wil zeggen paaldorpen binnen een door een ringdijk omgeven binnenmeer! Deze ringdijktheorie bleef lange tijd invloedrijk.

Terpenonderzoek in de tweede fase: gericht veldonderzoek

De tweede fase in het onderzoek in het Noord-Nederlandse terpengebied begint met succesvolle pogingen om de terpafgravingen te combineren met gericht veldonderzoek. De voortrekkers daarvan waren de Leeuwarder jurist P.C.J.A. Boeles18 [18] De Weerd 1962 biedt een bibliografie van het omvangrijke werk van Boeles. en de Leidse hoogleraar scheikunde J.M. van Bemmelen. Het eerste, spraakmakend lid van het Friesch Genootschap, wist in 1905 de commerciële afgraving van de Friese terp van Hogebeintum te gebruiken voor een onderzoek van een vroegmiddeleeuws grafveld.19 [19] Boeles 1906(a); 1906(b); 1906(c) (vergelijk Holwerda 1906); Boeles 1908; 1927; 1951. Vergelijk het contemporaine onderzoek van vader en zoon Elema in het Groningse Toornwerd (Elema & Elema 1918 (1907), cf. Boeles 1918 (1907) en Holwerda 1918 (1907) en Kooi 1994. De tweede publiceerde een invloedrijke overzichtsstudie20 [20] Van Bemmelen 1907. en zamelde geld in waardoor het mogelijk werd om vanaf 1908 een jonge student, A.E. van Giffen, toezicht uit te laten oefenen op de commerciële afgraving van de terpen.21 [21] Van Giffen 1919.Het ging daarbij aanvankelijk om onderzoek op de terp van Dorkwerd (Groningen), later ook om de terp van Wierhuizen (1916-1917),22 [22] Van Giffen 1918. die speciaal voor dit doel werd aangekocht.

Het is hier niet de plaats dieper in te gaan op de vroegste geschiedenis van het gravende onderzoek in Noord-Nederland, het ontstaan van de Vereeniging voor Terpenonderzoek, de voorbeeldige carrière van Van Giffen23 [23] Waterbolk 1977. en het ontstaan van het Biologisch-Archaeologisch Instituut (1920). Dat is elders al uitputtend gebeurd.24 [24] Halbertsma 1963; 11-85; Knol 1991; De Langen 1991; Waterbolk 1969; 1977 en 1989. Het onderzoek van De Wierhuizen werd uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Vereeniging voor Terpenonderzoek. Het is op deze plaats wel belangrijk te benadrukken dat de jaren tot en met de Tweede Wereldoorlog de hoogtijdagen vormden van het terpenonderzoek. Zo werd in deze periode het onderzoek te Ezinge uitgevoerd (1923-1934),25 [25] Van Giffen 1936. waar de methoden en technieken werden ontwikkeld en gecodificeerd die tot op de dag van vandaag maatgevend zijn voor terponderzoek. Van Giffens onderzoek onderscheidde zich van dat van Holwerda en de Leidse school door de grootschalige aanleg van aaneensluitende vlakken (niet uitsluitend sleuven) en de documentatie van reeksen haakse profielen. Daarnaast vormt Ezinge tot op heden de belangrijkste type site in het Noord-Nederlandse kustgebied. De opgraving te Ezinge illustreert echter vooral het kapitaal- en arbeidsintensieve karakter van terpopgravingen. Daarin is, in tegenstelling tot de zandgronden, ook na de mechanisering van het opgravingsbedrijf in de loop van de jaren vijftig, maar weinig verandering gekomen.

Terpenonderzoek in de derde fase: wettelijke bescherming

De tweede fase in het terpenonderzoek kreeg een opmerkelijke afsluiting. In de loop van de Tweede Wereldoorlog was het initiatief genomen tot een inventarisatie van de terpen in Groningen en Friesland. De aanleiding daarvoor was niet strikt-wetenschappelijk, maar om de bescherming ervan mogelijk te maken (het zogeheten ‘Terpenplan’):26 [26] Halbertsma 1963, 5-10. de politiek-economische situatie in de oorlogsjaren had namelijk een forse opleving van terpafgravingen voor de winning van vruchtbare terpaarde tot gevolg gehad. De inventarisatie werd uitgevoerd door de nog jonge Herre Halbertsma. Zijn lijst werd niet onmiddelijk gepubliceerd maar diende wel als uitgangspunt voor de bescherming van vele terpen conform een in 1943 door het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming uitgevaardigde bepaling.27 [27] Halbertsma 1944.

Met de in 1961 geïntroduceerde Monumentenwet kreeg de bepaling een waardige opvolger. Ook in de naoorlogse jaren ging in het nationale beschermingsbeleid een bijzondere belangstelling uit naar de terpen. Redmer Klok van de ROB ontwikkelde zich tot een groot voorvechter voor behoud van de terpen.28 [28] Klok 1974-1975 en ROB en Fries Museum 1984. Hij legde bovendien de verbinding tussen wettelijke bescherming en de problematiek van de ruimtelijke ordening.29 [29] Klok 1979.

De hoeveelheid wettelijk-beschermde archeologische monumenten in Nederland bestaat voor een onevenredig groot deel uit terpen.30 [30] Lauwerier & Lotte 2002, 27-29. Dit is voor een belangrijk deel terug te voeren op het feit dat het hier gaat om goed zichtbare relicten. Tegenwoordig is de zichtbaarheid echter geen doorslaggevend criterium meer: ook de niet-zichtbare delen van terpen blijken beschermwaardig. Zelfs afgegraven terp(sectoren) hebben vaak nog een waardevol bodemarchief31 [31] Bos 1995; Bos & Jager 1996. en hetzelfde geldt voor overbouwde terpen die meestal buiten de wettelijke bescherming waren gehouden.32 [32] Ze werden meestal buiten bescherming gehouden omdat men er van uit ging dat handhaving van de bescherming binnen een bebouwde kom met veel eigenaren en een relatief hoge ontwikkelingsdynamiek onmogelijk zou zijn. En tenslotte is, geheel tegen de verwachting in, gebleken dat juist onbebouwde terpen sterker zijn aangetast door agrarisch gebruik.33 [33] Groenendijk 1997(b). Vooral de gevolgen van ploegen in relatie tot vroegere (gedeeltelijke) afgravingen (oude steilkanten) en de recente schaalvergroting in de landbouw zijn funest gebleken (De Langen & Hommes 1998; De Langen & Nierstrasz 1998). Alle wettelijke inspanningen hebben ervoor gezorgd dat er nog betrekkelijk veel terpvolume resteert.

Sinds de Tweede Wereldoorlog (en tot op de dag van vandaag) kenmerkt het terpenonderzoek zich door wisselvalligheid: van intensief en grootschalig veldwerk is alleen sprake geweest in de jaren zestig34 [34] In de late jaren vijftig was het de bedoeling van het BAI om een Fries ‘Ezinge’ te vinden en het veldonderzoek van het instituut voor langere tijd daarop te concentreren. Op vijf terpen vond proefonderzoek plaats; de onderzoeksmogelijkheden te Tritsum bleken de beste te zijn. Daar werden uiteindelijk drie campagnes aan veldwerk besteed (1959-1961) (zie Waterbolk 1961). en de periode 1988-1992. In de jaren veertig en vijftig ‘lag het terpenonderzoek in de luwte’; ‘in het midden van de jaren vijftig was men zich bewust van een betrekkelijke stilstand’; ‘na de jaren zestig trad [..] een zekere rust in’ en ‘liep het terpenonderzoek’ ten slotte in de jaren tachtig ‘een achterstand op ten opzichte van de andere takken van de Nederlandse archeologie’.35 [35] Citaten uit De Langen 1991, 15-18. De unieke overzichtsstudie van Halbertsma (1963) werd in de jaren tachtig aangevuld met de overzichtswerken en syntheses van Miedema, De Langen, Knol en Taayke. In het eerste geval ging het om een zeer intensieve veldkartering van vrijwel het gehele Groninger terpengebied; in de andere gevallen om de beschrijving en analyse van oude toevalsvondsten en oude opgravingen. In geen enkel geval was sprake van de verwerking van recente veldwerkgegevens. ‘Incidenteel’ veldwerk uit de jaren tachtig en negentig (Heveskesklooster, Wijnaldum, Dongjum en Peins) is in geen enkel geval volledig gepubliceerd. De opgraving te Oosterbeintum vormt daarop een gunstige uitzondering.36 [36] Knol et al. 1996. Op dit moment (2005) biedt alleen de archeologische dienst van de gemeente Groningen enige structurele onderzoekscapaciteit.37 [37] Sinds 1988 is in Groningen een stadsarcheoloog werkzaam. Het is spijtig dat geen van de Friese steden over een archeoloog beschikt. Vgl. Van Es et al. 1982. In het buitengebied van de stad vindt de laatste jaren veel onderzoek plaats dat van direct belang is voor de terpenarcheologie.38 [38] Zie www.stichtingmenm.nl.

Ecologisch onderzoek

In het onderzoek van het terpengebied is altijd bijzondere aandacht besteed aan de bestaanswijze van de kustbewoners: hoe konden zij overleven op het grensvlak van zee en land?39 [39] Voor een zeer vroeg voorbeeld, zie Broekema 1908. Een bijzondere vermelding in dit verband verdienen de succesvolle experimenten van het BAI met het kweken van gewassen op onbedijkte kwelders.40 [40] Het betrof hier overigens geen origineel onderzoek, het bouwde voort op dat van Körber-Grohne (1967). Wat betreft de archeozoölogie in Nederland kan gesteld worden dat haar oorsprong teruggaat tot het intensieve terponderzoek uit het begin van de 20ste eeuw.41[41] Van Giffen 1913. Afgezien van Middelstum,42 [42] Van Gelder 1988. Paddepoel43 [43] Knol 1983.en Wijnaldum zijn er tot op heden geen grotere, goed gedateerde archeozoölogische complexen uit de (Romeinse) IJzertijd en Vroege Middeleeuwen gepubliceerd. Ook een overzichtsstudie van het gehele gebied of een deel ervan ontbreekt (zie ook 2.6). Het onderzoek heeft altijd een sterk ecologisch-deterministische inslag gekend met het accent op de verklaring van de nederzettingsontwikkeling en -spreiding; minder aandacht ging uit naar de mentaliteitsgeschiedenis. Voor wat de jongere geschiedenis betreft krijgt deze onderzoeksrichting de laatste tijd meer en meer impulsen door het werk van Knottnerus.



terug InhoudLiteratuur vooruit