Deel 1 Stand van onderzoek en wetenschappelijke potentie
1.1 Inleiding
De Noordzee is de ruwste in de wereld; en het Germaanse klimaat
het slechtste (Tacitus, Annales II-24). De zee geeft; de zee neemt. Deze bekende zegswijze geeft uitdrukking
aan de ambivalente houding van de Nederlanders tegenover de Noordzee. Enerzijds
biedt ze uitstekende mogelijkheden om in het eigen onderhoud te voorzien door
visserij en handel; anderzijds eist ze een grote tol aan mensenlevens in schipbreuken
en overstromingen. Dat laatste werd nog eens duidelijk tijdens de watersnoodramp
van 1953. Tijdens een hoge stormvloed kwam in Zuidwest-Nederland ca 2000 km2
land blank te staan, verdronken bijna 50.000 stuks grootvee, werden meer dan
4500 gebouwen vernietigd en kwamen 1835 mensen om. Sindsdien zijn er miljarden
geïnvesteerd in de Deltawerken om zo’n ramp te voorkomen. Verwachtingen
over een toekomstige stijging van de zeespiegel maken het waarschijnlijk dat
nieuwe, wellicht onorthodoxe maatregelen genomen moeten worden om de veiligheid
van de kustbevolking blijvend te waarborgen. De vraag is of deze interventies
gebaat zijn bij een historische contextualisering. Hoe gingen de mensen in
het verleden om met de zee en het kustgebied en welke (structurele) gevolgen
had dat?
De ramp van 1953 staat niet op zichzelf. Ze is er één
uit een lange reeks. Uit historische bronnen is bekend dat het Nederlandse
kustgebied in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd regelmatig werd geteisterd door kleinere en grotere overstromingen.1 [1] Gottschalk 1977. Soms eisten ze vele levens.
Dat geldt ook voor Friesland en Groningen, de regio die in dit hoofdstuk centraal
staat. Berucht in dit gebied was de vloed van Kerstmis 1717 met naar schatting
14.000 doden. Na iedere ramp werd van steeds hogere dijken – vaak tevergeefs
- betere bescherming verwacht. Tegelijkertijd groeide de zee in de verbeelding
uit tot een ongetemde en duivelse plek van monsters en draken, wolven en walvissen,
(veroordeelde) misdadigers en outcasts en geesten en dwergen.
Het buitendijkse gebied vormde de antithese voor de geciviliseerde wereld
van de mensen die leefden onder Gods voorzienigheid.
Inmiddels weten we dat de mens ongewild zelf heeft bijgedragen aan
de destructieve kracht van de zee. In de eerste plaats betekenden de grootschalige
bedijkingen vanaf de 10de eeuw een forse inbreuk op de ruimte waar de zee
tijdens (storm)vloeden vrij kon uitstromen. Door de voortschrijdende uitbreiding
van de dijken (in horizontale en verticale zin) in de Middeleeuwen en de (vroeg)moderne
tijd werd het kombergende vermogen van het achterland stapsgewijs gereduceerd.
In de tweede plaats had de mens een belangrijke rol in de vernietiging van
bepaalde delen van het kustlandschap, waardoor de zee kon inbreken in gebieden
die door hun natuurlijke hoogteligging van oorsprong onbedreigd waren. Door
agrarische exploitatie en de winning van zout trad in verschillende (hoog)veengebieden
een verlaging van het maaiveld op waardoor de zee vrij spel kreeg en het landschap in een wadvlakte veranderde.2 [2]
De oorzaak en chronologie van de genoemde ontwikkelingen (bijv. van bedijkingen
en veenontginningen) is een belangrijk onderwerp van toekomstig onderzoek
(zie het hoofdstuk Noord-Nederland in de Late Middeleeuwen en vroegmoderne
tijd)..
De diepgewortelde vrees voor de zee ligt al eeuwenlang aan de basis
van een bijzondere fascinatie voor de mensen die in een ver verleden leefden
in een nog onbedijkt kustgebied. Hoe was het mogelijk dat de kustbewoners
hier als speelbal van de zee konden overleven? De beschrijving van het leven
in het protohistorische kustgebied van Noord-Nederland door de Romein Plinius
de Oudere was daarbij lange tijd voor velen maatgevend. In zijn Naturalis
historiae beschreef hij de miserabele condities waarin de kleine
en de grote Chauken leefden:
Twee keer per etmaal komt de Oceaan daar met
geweldige watermassa’s over een onmetelijke afstand opzetten en bedekt
eeuwig door de natuur omstreden gebied waarvan het onduidelijk is of het bij
het vasteland hoort of deel uitmaakt van de zee. Daar bewoont dat arme volk
hoge heuvels of dammen die ze eigenhandig hebben opgeworpen tot de hoogste
waterstand die ze hebben meegemaakt. Met hun hutten die ze erop hebben gebouwd
lijken ze wel zeelieden wanneer water het omringende land bedekt, maar schipbreukelingen
wanneer het water zich heeft teruggetrokken.
Als rechtgeaard Romein kon Plinius niet begrijpen wat deze mensen
bezielde toen duidelijk werd dat zij liever hun eigen terpencultuur in stand
hielden dan zich te onderwerpen aan de zegeningen van de Romeinse Rijk. Het
citaat geldt nog steeds als icoon voor een (onderzoeks)perspectief dat uitgaat
van een moeizaam overleven van de mens in het Nederlandse kustgebied. Al in
een vroeg stadium kwam echter ook een alternatieve visie tot ontwikkeling
die het gebied juist voorstelde als een land van melk en honing. In de woorden
van de Friese jurist en amateur-historicus Van Blom bijvoorbeeld was het Noord-Nederlandse
kustgebied een aaneenschakeling van:
[v]ette weiden en vruchtbare akkers,
vischrijke wateren en bosschen vol wild die de Friezen rijkelijk
voedsel boden. De natuurlijke grenzen van het land, de Noordzee en
de rivieren de Rijn en de Eems, het Flevomeer en de moerassige lage en hoge
venen, maakten het [het land van de Friezen] schier ontoegankelijk voor vreemde
volksstammen, die het zouden willen binnendringen.3 [3] Van Blom 1900, 510.
Het valt te betwijfelen
of de geografie van het gebied de bescherming bood die Van Blom vanzelfsprekend
vond. Duidelijk is wel dat het beeld van de kustbewoners als misera
gens met de nodige omzichtigheid moet worden gehanteerd.4 [4] Dat betekent echter niet dat bovenstaand citaat niet tot op de dag
van vandaag te pas én te onpas wordt gebruikt, vooral op internet. Kwelders in een gematigde klimaatzone hebben een
exceptionele biomassa-productie,5 [5] De Leeuw, Olff &
Bakker 1990; Van Wijnen 1999. die door intensieve beweiding
ten nutte van de menselijke samenleving kan worden gemaakt.6 [
6] In aanvulling op Van Blom en ter relativering van Plinius moet
vermeld worden dat de waterhoogte bij extreem hoog water in onbedijkte condities
voor moderne begrippen laag is. Met andere woorden: de
bouw van terpen, die zo kenmerkend was voor het leven in de late prehistorie
en protohistorie van het onderzoeksgebied, is een succesvolle, veilige en
productieve adaptatie aan een zeer bijzonder milieu.


|