Toespraak gehouden bij de publicatie van de NOaA website
(uitgesproken door:
J. van de Voorde wnd. directeur ROB./RDMZ)
Dames en heren,
Nu de SC, Medy van der Laan, verhinderd is, lees ik graag de tekst voor, die zij had willen uitspreken.
De Nederlandse archeologie, ik vertel u daarmee niets nieuws, is in de laatste tien jaar ingrijpend veranderd. Belangrijke ontwikkelingen worden zichtbaar en krijgen vorm in nieuwe wetgeving op het gebied van de archeologische monumentenzorg, die naar ik hoop en verwacht binnen zeer afzienbare tijd van kracht zal worden. Ik noem een aantal van die wezenlijke veranderingen. De zorg voor het archeologische erfgoed heeft een structurele plaats gekregen in de ruimtelijke ordening, het principe van ‘de verstoorder betaalt’ heeft zijn intrede gedaan, de zorg voor de archeologie is gedecentraliseerd en marktpartijen zijn toegelaten tot het doen van borend en gravend onderzoek. Daarmee is de zorg voor de archeologie, in tegenstelling tot vroeger, iets van velen is geworden! De archeologische zorgplicht ligt niet langer meer alleen bij universiteiten, enkele gemeenten en het Rijk, en ik ben daar blij om.
Het is u bekend dat de nieuwe monumentenwet een uitwerking betekent van het Europese verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed, beter bekend als het verdrag van Malta. Over de implementatie van dit verdrag uit 1992 hebben we lang nagedacht, wellicht te lang. De nieuwe wet staat nu echter als een huis en het is aan ons om de stap te maken van theorie naar praktijk. Gelukkig is er op dat vlak al veel gebeurd. Velen zijn op de mogelijkheid ingesprongen om op de nieuwe archeologische markt actief te worden. Tegelijkertijd is vorm gegeven aan een instrumentarium dat het mogelijk maakt de kwaliteit van archeologisch onderzoek te borgen: marktwerking gaat ook in de archeologie samen met maatschappelijke sturing. Er wordt gewerkt met een door het archeologische veld opgestelde en gedragen Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Ik van mijn kant heb gezorgd voor de instelling van een College voor de Archeologische Kwaliteit dat bepaalt dat alleen erkende bedrijven kunnen boren en opgraven. Het publieke belang dat in de archeologie op het spel staat, was voor mij ook aanleiding om een Rijksinspectie voor de Archeologie op te richten, tegenwoordig de sectie Archeologie binnen de Erfgoedinspectie. Zij bekijkt of de kwaliteit van archeologisch onderzoek voldoende is.
Niet vergeten mag worden dat ook de inspanningen met betrekking tot de archeologie en de archeologische monumentenzorg op provinciaal en gemeentelijk niveau een enorme impuls hebben gekregen. Provincies en in toenemende mate ook gemeenten geven vorm aan een eigen archeologisch beleid en zorgen zelf voor het instrumentarium om aan dat beleid uitvoering te geven. Ik wijs in dit verband op de groeiende reeks van cultuurhistorische waardenkaarten, archeologische verwachtingskaarten en eigen onderzoeksagenda’s.Ik hoop dat hierin de ontwikkeling van een taakopvatting zichtbaar wordt die past bij de bestuurlijke decentralisatie die met de nieuwe wetgeving op het gebied van de archeologische monumentenzorg is ingezet.
Wat is nu de relatie van deze ontwikkelingen met de Nationale onderzoeksagenda? We hebben zojuist gehoord waarom de wetenschappers de nationale onderzoeksagenda, de NOAA, belangrijk vinden. We hebben een gebruiker gehoord die u meegenomen heeft op een reis door de website. En de projectleider heeft ons de nodige feiten gemeld over dit initiatief. Zoals gezegd, we hebben jarenlang gewerkt aan nieuwe wetgeving op het gebied van de archeologie en de archeologische monumentenzorg. De Tweede Kamer heeft onlangs ingestemd met het wetsvoorstel. Het is nu binnenkort aan de Eerste Kamer om haar oordeel te vellen. Ik stel het zeer op prijs dat in de Tweede Kamer vragen zijn gesteld over de kwaliteit van het gravende onderzoek en van de verslaglegging. Feitelijk gaat het hier om de vraag of het publieke belang dat in de archeologie op het spel staat gediend wordt. In dat verband is het belangrijk dat we weten wat dat publieke belang precies behelst. Op hoofdlijnen. Het is zaak in de archeologie om betekenisvolle nieuwe beelden van het verleden te vormen en er voor te zorgen dat een substantieel deel van ons archeologische erfgoed in haar oorspronkelijke vorm, in situ, bewaard blijft. De Nationale Onderzoeksagenda Archeologie werkt deze opgave en detail uit.
De onderzoeksagenda is daarmee een cruciaal onderdeel in het nieuwe systeem van kwaliteitszorg in de archeologie. Het geeft het publiek, eigenaren van monumenten, ambtenaren van alle overheden, ontwikkelaars, archeologische bedrijven en wetenschappers een overzicht van de kennis die we hebben over het verleden. Het maakt inzichtelijk welke vragen bij uitvoerend onderzoek gesteld kunnen worden om het onderzoek dienstbaar te laten zijn aan nieuwe betekenisvolle beeldvorming over het verleden. En wat me bijzonder aanstaat is dat dit overzicht tot stand is gekomen binnen een breed samenwerkingsverband, waarin mijn Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek een vooraanstaande rol heeft gespeeld. De ROB heeft zelf veel kennis in huis, maar weet tegelijkertijd waar ze van anderen afhankelijk is. Dat is in het project NOaA zichtbaar. In totaal hebben zo’n 170 wetenschappers uit verschillende disciplines aan dit initiatief gewerkt, hetzij als auteur, hetzij als meelezer. Archeologen van gemeenten, provincies en Rijk, universiteiten en archeologische bedrijven, maar ook ingenieurs, historici, natuurkundigen, biologen, geologen en fysisch en historisch geografen hebben aan de NOaA bijgedragen. Ik weet dat deze brede samenwerking binnen het gehele archeologische veld een grote uitdaging betekende voor de partners in de landelijke projectgroep. Ik zou de projectgroep echter een nieuwe uitdaging willen aanbieden: zien zij mogelijkheden om vorm te geven aan een participatie in de agendavorming van mensen en partijen van buiten het professioneel-archeologische veld? Dat zou een versterking betekenen van de vermaatschappelijking van de archeologie die met de implementatie van Malta is ingezet. Ik ben er van overtuigd dat nieuwe webgebaseerde technologieën – waar de projectgroep nadrukkelijk mee wil experimenteren – daartoe mogelijkheden biedt.
De NOaA is met andere woorden en samenvattend een instrument voor de borging van kwaliteit in al het ‘Malta-onderzoek’, waarin intussen ca 50 miljoen Euro per jaar omgaat. Ze draagt daarmee bij aan de wisselwerking tussen het academische onderzoek en de academische onderzoeksprogrammering enerzijds en de dagelijkse uitvoeringspraktijk anderzijds. En dat alles met het oog op het vertellen van nieuwe, interessante verhalen aan het publiek over het verleden.
Een laatste woord nog over de functie van de NOaA. Ik ben het eens met de projectgroep dat de NOaA geen rol speelt in selectiebesluiten, dat wil zeggen bij de beantwoording van de vraag of archeologische resten het waard zijn om behouden, onderzocht óf ongezien vernietigd te worden. De agenda spreekt zich niet uit over de vraag of bepaalde periodes van het verleden, bepaalde gebieden, bepaalde vindplaatstypen of bepaalde archeologische fenomenen wel of niet voor onderzoek in aanmerking komen. Het is de mening van de projectgroep dat keuzes gemaakt moeten worden op basis van het in Nederland gebruikelijke systeem van waardering en niet op basis van (tijdgebonden) uitspraken over wat wel of niet interessant is. Elke periode, elk gebied en elk complextype, onafhankelijk van de huidige stand van kennis, leent zich voor betekenisvol onderzoek naar het verleden. Geen enkel deel van ons archeologische erfgoed beschouw ik op voorhand als vogelvrij, en ik hoop dat andere overheden me in deze gedachtegang willen volgen.
Mijn dienst de ROB, die op het punt staat te fuseren met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en dan op zal gaan in de Rijksdienst voor Archeologie Cultuurlandschap en Monumenten, zal straks ook onder die nieuwe noemer RACM niet alleen een inhoudelijke, maar ook een secretariële rol blijven vervullen en daarmee zorg dragen voor een verduurzaming van het project. Ik zie in de fusie met de RDMZ zelfs een mogelijkheid om de NOaA om te bouwen tot een Nationale Onderzoeksagenda Cultuurhistorie. Inde wandelgangen wordt, begrijp ik, al gekscherend gesproken over noach.nl.
Deze URL is overigens nog vrij!
Ik wil hier tot slot mijn dank uitspreken aan de leden van de landelijke projectgroep NOaA: de onderzoeksschool ARCHON, de Vereniging voor Ondernemers in de Archeologie en het Convent voor Gemeentelijke Archeologen en, uiteraard, ook aan alle auteurs en meelezers. Ik hoop dat ik ook in de toekomst kan rekenen op hun gezamenlijke inzet en enthousiasme. Zonder de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek had het initiatief moeilijk vorm gekregen. Het is aan een financiële bijdrage vanuit het programma ‘De oogst van Malta’ te danken dat de NOaA op deze fraaie wijze tot stand is gekomen.
En ik wil Annemarie Bos, Directeur geesteswetenschappen van NWO, dan ook uitnodigen om het enige en dus unieke exemplaar van de onderzoeksagenda in ontvangst te nemen.
|