Deel 3 Archeologische verschijningsvormen3.1 Landschappelijke wordingsgeschiedenisHet geo-genetisch/landschappelijke onderzoek in Noord-Nederland heeft
de laatste jaren een sterke impuls gekregen door het werk
van Peter Vos (TNO-NITG).183 [183] Belangrijk ouder werk: Roeleveld
1974; Griede 1978; Griede & Roeleveld 1982; Fokkens 1991; 1998. Zie ook
de bijdragen van de archeologen De Langen 1992 (hfst. 1) en Knol 1993. Duidelijk is geworden dat de geologische ontwikkeling van de verschillende
deelregio’s veel variatie vertoont (zie 2.2). Deze variatie wordt verklaard
door verschillen in o.a. de vorm van de oorspronkelijke pleistocene beekdalen,
het sedimentaanbod, het kombergend vermogen, de open dan wel gesloten kustligging,
getijdenamplitude, etc. Deze nieuwe inzichten verdienen verdere verdieping
per (deel)regio. Daarvoor is het noodzakelijk dat bij iedere archeologische
ontsluiting van enig formaat geologisch onderzoek plaatsvindt. Het is een
doodzonde archeologisch onderzoek in holoceen Noord-Nederland te beperken
tot antropogene fenomenen. Het lithostratigrafisch onderzoek, zeker ook de
veldopname, dient uitgevoerd te worden door gekwalificeerde personen en kan
niet worden overgelaten aan mensen die uitsluitend archeologisch geschoold
zijn.
Uitgangspunt voor lithostratigrafisch onderzoek vormen de
nieuwste afspraken over de benoeming van formaties.184 [184] Weerts et
al.2000. Het is belangrijk te beseffen dat deze
afwijken van de benoeming van sedimenten in termen van de Calais- en Dunkerque-transgressies. Goede lithologische beschrijvingen185 [185] Conform
de door het CvAK vastgestelde richtlijn Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode(Bosch
2003). moeten worden gecombineerd met voldoende absolute (14C-)dateringen en met (intensief) micromorfologisch,186 [186] Voor een goed voorbeeld: Exaltus 1999. pollen-,
mollusken- en diatomeeënonderzoek. Dergelijk onderzoek van door antropogene
lagen afgedekt natuurlijk materiaal moet vooral inzicht geven in het milieu
waarin de eerste kolonisatie van de verschillende kleigebieden plaatsvond,
maar ook in het schaalniveau van de natuurlijke processen in relatie tot de
bewoning en in de (ontwikkeling in) waterstanden bij gemiddeld
hoog water en extreem hoog water.187 [187] Zie Vos 1999 voor een
reconstructie van trends in extreem hoog water voor Westergo op basis van
de NAP-hoogte van haardplaatsen in Wijnaldum-Tjitsma. Grote aandacht dient uit te gaan naar erosieniveaus onder en tussen
de antropogene lagen, aangezien de herkenning van dergelijke processen voorafgaat
aan de beslissing of en waar gedetailleerd laagonderzoek zal plaatsvinden.
Hoewel de voorkeur uitgaat naar de studie van onverstoorde, in de eerste fase
van de bewoning afgedekte profielen, moet ook zorgvuldig omgegaan worden met
de relatief zeldzame geologische ontsluitingen die contemporain zijn met bepaalde
fasen van de gedocumenteerde bewoning. Voor de veengebieden is het van groot belang dat nieuwe ontsluitingen
van veenpakketen, juist ook van kleine veenrestanten in verder geheel verveende
gebieden, goed worden bemonsterd, beschreven en natuurwetenschappelijk gedateerd. 

|