Geavanceerd zoeken

Start       Leeswijzer              Archeoregio's         Periodes         Thema's         Hoofdstukken home contact

Deel 2 Actuele onderzoeksthema’s

2.6 De agrarische economie

De discussie over de agrarische economie van de Noord-Nederlandse kustgebieden wordt van oudsher gedomineerd door de vraag naar de (on)mogelijkheden van akkerbouw in het kweldergebied.107 [107] Voor een vroeg en relevant overzicht, zie Van der Poel 1960. Lange tijd bestond het idee dat de verbouw van granen (vrijwel) onmogelijk was in het kustgebied en dat het houden van vee dominant was: terpbewoners waren veehouders (zie ook het hoofdstuk Late prehisorie in West-Nederland). Vanuit dat perspectief sprak het vanzelf dat er in de late pre- en protohistorie sprake moest zijn geweest van een intensieve uitwisseling tussen de terpbewoners en de bewoners van de aangrenzende zandgronden. Huiden, melkproducten en zout zouden zijn uitgewisseld tegen Drentse gerst, emmer, gierst, haver en later rogge. Daarnaast zou het importpakket hebben bestaan uit bouwhout, ijzer, houtskool (?) en gewei (?).108 [108] De vraag is hoe de externe herkomst van verschillende materiaalcategorieën kan worden aangetoond.

In de jaren zestig van de 20ste eeuw werd – in navolging van het Duitse terpenonderzoek - afgerekend met bovenstaande visie.109 [109] Cappers 1994. Botanisch onderzoek wees uit dat de verwerkte gewassen van lokale productie afkomstig waren, archeologisch onderzoek leverde ploegsporen en akkerpercelen op (Paddepoel) en experimenteel onderzoek toonde aan dat de verbouw van een reeks van gewassen110 [110] Van Zeist et al. 1976 en Bottema et al. 1980. Het betreft de succesvolle verbouw van vlas, dederzaad, duiveboon, bedekte gerst en haver. Zie ook Körber-Grohne 1967. Tarwesoorten lenen zich in ieder geval niet voor verbouw onder dergelijke milieuomstandigheden. op onbeschermde kwelders mogelijk was. Intussen zijn de eerste aanwijzingen beschikbaar gekomen voor laatprehistorische en protohistorische akkers die door kleine dijken werden beschermd.111 [111] Gerrets 1999(c), 334; Bazelmans et al. 1999. De vraag is of de terpen (of delen ervan) ook zelf als akkergrond werden gebruikt.112 [112] Zie Gerrets 1999(c), 334: de terp van Wijnaldum-Tjitsma werd omstreeks 500 als akker in gebruik genomen. Voor een akkerlaag te Dongjum, zie Bazelmans et al. 1999.

Graanproductie

Het onderzoek in Middelstum-Boerdamsterweg, een vindplaats uit de Midden-IJzertijd op de grens van kwelders en het pleistocene gebied, levert enig inzicht op in de interregionale uitwisseling van granen. De nederzetting bevat een groot aantal plattegronden van spiekers – veel meer dan de opslagcapaciteit die gebruikelijk is voor ‘normale’ nederzettingen. Botanisch onderzoek door Van Zeist wees uit dat bedekte gerst vrijwel het enige cultuurgewas was.113 [113] Van Zeist 1989. Bovendien werden er nauwelijks kafresten aangetroffen, hetgeen erop duidt dat het gewas niet ter plekke werd verbouwd maar van elders aangevoerd. De transportrichting kan niet direct uit de vondsten worden afgeleid. Wellicht duidt de aanwezigheid van verkoolde zaden van melkkruid tussen het verkoolde graan er op dat de gerst in een kweldermilieu is geteeld. De enorme aantallen verkoolde zaden van melde in dezelfde monsters zijn hier zeker niet mee in tegenspraak.

Interessant in dit opzicht is ook het onderzoek van Nieuwhof in Peins-Oost.114 [114] Nieuwhof 2001(a). Hier is bedekte gerst de dominante graansoort in de Late IJzertijd (of Vroeg-Romeinse tijd); omdat hier wel kafresten zijn aangetroffen is het aannemelijk dat hier sprake is geweest van lokale teelt. Blijkens de macroresten van wilde planten moet hier een uitgestrekte hoge kwelder hebben gelegen. Verkoolde resten van een groot aantal zoutplanten kunnen als extra aanwijzing voor beweiding worden opgevat.

Uit botanisch onderzoek in het kustgebied blijkt dat het grootste deel van de cultuurplanten uit granen bestaat.115 [115] Een bijzonder archeologisch probleem is de herkomst van maalstenen (Brongers & Woltering 1978, 47). Van welke steensoort zijn ze? Waar zijn ze geproduceerd? En vooral: via welke mechanismen zijn ze uit relatief verafgelegen herkomstgebieden in het terpengebied terecht gekomen? In de IJzertijd was dat het voornamelijk gerst. Twee andere belangrijke graansoorten zijn gierst en emmertarwe. Ook haver is vertegenwoordigd, zij het in kleine hoeveelheden. Opvallend is dat dit beeld niet wezenlijk afwijkt van wat we kennen uit Drenthe in de IJzertijd. In de Romeinse tijd trad echter een verandering op: op de pleistocene zandgronden van Noord-Nederland werd rogge belangrijker dan gerst en nam het belang van emmertarwe af. Dat is niet het geval in het kustgebied; daar is de situatie in de Romeinse IJzertijd en daarna hetzelfde als in de IJzertijd.116 [116] Zie Hiddink 1999, 161 voor een verklaring: rogge komt nauwelijks als onkruid voor tussen zomergranen zoals het in het kustgebied dominante gerst. Op de zandgronden was het echter als akkeronkruid een belangrijk bijproduct van het gewas en kon daar door veranderde oogstmethoden wel dominant worden.

De opgraving van de terp Wijnaldum-Tjitsma wijst mogelijk in de richting van een beperkte introductie van emmertarwe in de Vroege Middeleeuwen als gewas dat op de terp werd verbouwd.117 [117] Pals 1999. Het onderzoek naar peulvruchten, oliehoudende en vezelplanten is door het gebrek aan gegevens een vrijwel onontgonnen terrein.118 [118] Zie echter Pals 1999 voor Wijnaldum-Tjitsma.

Relevante onderzoeksvragen

Op basis van de ervaringen in het ecologisch onderzoek van het terpengebied zijn nu een reeks van relevante vragen te formuleren. Hoe is de akkerbouw op de kleigronden in de diverse perioden te karakteriseren, mede in het licht van de akkerbouwregimes op de aanpalende veen- en zandgronden? Hierbij moet speciale aandacht worden besteed aan het kwantificeren van cultuurplanten, de interpretatie van dorsresten in relatie tot grondbewerking en verwerking van de oogst en aan de proxywaarde van wilde planten.119 [119] Vgl. Behre & Jacomet 1991. Is het mogelijk om de begrazingsdruk van de kwelders in de Romeinse periode in kaart te brengen op basis van verschuivingen in het archeobotanisch archief? Hierbij dient speciale aandacht te worden besteed aan de problematiek van zaadproductie, zaaddispersie en conservering in relatie tot vegetatiesuccessie onder invloed van begrazing. Met deze laatste archeobotanische vraag komen we op het vlak van een andere belangrijke component van de agrarische economie: het vee.

De veestapel: rund

Vee was ongetwijfeld van groot belang voor de kustbewoners. Door het ontbreken van goede gegevens120 [120] Hiddink 1999, 167-173 en vooral tabel 6.3: voor Noord-Nederland beschikken we slechts over drie gepubliceerde complexen (Paddepoel, Middelstum (Van Gelder 1988) en Sneek (Clason 1962)) met een omvang die uitkomt boven honderd determineerbare botten. Een publicatie over het botmateriaal van Wijnaldum is in voorbereiding (Bosma in voorbereiding). Voor studies van kleinere complexen, zie Milojkovic & Brinkhuizen 1984 (Kimswerd); De Langen et al. 1994 (Lions); Zeiler 1996 (Groningen). Verder zijn er enkele publicaties of rapporten beschikbaar over één soort of diergroep: oer-os (Clason & Van Es 1992 en 1993); vogels (Prummel 1993(a); Prummel & Zeiler 1993); runderen (Terpstra 1986). is het echter moeilijk een beeld te krijgen van de veestapel (naar soorten en leeftijden) en de ontwikkeling door de tijd heen. Het onderzoeksmateriaal maakt echter één ding duidelijk: het rund is door de tijd heen een constante en allesoverheersende factor en maakte ongeveer tweederde deel uit van de veestapel. Het gaat daarbij om een kleine variant rund: het resultaat van een natuurlijke regressieve ontwikkeling na domesticatie.121 [121] Knol 1983; Reichstein 1991. Blijkbaar werd er bij selectie en kruising niet op grootte gefokt.122 [122] In andere delen van de Romeinse wereld was dit namelijk wèl het geval. Onderzoek van oud-DNA zou wat dit betreft belangrijke informatie kunnen opleveren. Noordduitse gegevens doen vermoeden dat de gemiddelde schofthoogte in de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen niet veranderde. Het houden van runderen ging vrijwel zeker gepaard met het doden van het grootste deel van de stierkalveren (in de consumptie van melk waren zij immers de directe concurrent van de mens). Het overige rundvee bleef betrekkelijk lang leven, voor een belangrijk deel zelfs langer dan vier jaar, waarschijnlijk omdat de melk belangrijker werd gevonden dan het vlees.

Mest en mesteconomie

Rundvee was een belangrijke leverancier van mest. Over de samenstelling en het gebruik van mest zijn we slecht geïnformeerd. Het ligt voor de hand dat mest ook werd gebruikt als bouwmateriaal en brandstof; dat biedt echter geen verklaring voor de aanwezigheid van (ongebruikte?) pakketten mest in de Groninger wierden. Bijzonder interessant in dit verband zijn nederzettingen met een site catchment area die tot in het pleistocene achterland reikt, zoals de locatie Grijpskerk-NAM. Hier leverde de analyse van mest enig licht op de actieradius van een boerengemeenschap.123 [123] Buurman & De Man 2002. Dergelijk onderzoek roept ook de vraag op naar eventuele betrekkingen met gelijktijdige buurnederzettingen, zoals in dit geval Grijpskerk-dorp, dat op de overgang van het pleistocene naar het mariene gebied lag. De contacten tussen nederzettingen onderling zijn sowieso een nog weinig onderzocht thema.

De veestapel: overig

Ook schaap124 [124] Volgens Knol gedijt de leverbotslak, een belangrijke parasiet van het schaap, niet in kwelders (Knol 1993, 239). en varken (in volgorde van belang) speelden een bescheiden tot zeer bescheiden rol in de agrarische productie van het kustgebied. Hierin verschilt het kustgebied aanmerkelijk van de zand- en lössgebieden waar het varken ongetwijfeld van grotere betekenis was. Het paard verdient speciale aandacht: volgens Hiddink kan er een onderscheid worden gemaakt tussen vindplaatsen met een gebruikelijk (dat wil zeggen: laag) percentage aan paard en vindplaatsen met een hoog percentage.125 [125] Hiddink 1999, 170. De vraag is of hoge percentages in verband kunnen worden gebracht met specialisatie. Onduidelijk is ook of paarden werden geconsumeerd.126 [126] Gegevens uit Paddepoel zouden de consumptie van paardenvlees bevestigen (Knol 1983). Cf. Lauwerier & Robeerst 2001; Lauwerier 1988; 2002.

Tot slot moeten hier kip en kat genoemd worden. Deze ‘nieuwe’ soorten zijn recentelijk aangetroffen bij onderzoek van de Romeinse vindplaats Groningen-Friesestraatweg.127 [127] Brinkhuizen & Prummel 2004. Kip is overigens ook al aangetroffen in Paddepoel (mond.meded. E. Knol, Groningen). Bij gebrek aan gegevens is het nog onbekend hoe snel deze soorten zich verspreidden en – in het geval van kip - wat het effect daarvan was op het eetpatroon.

Jacht en visvangst

Jacht speelde – althans in economisch opzicht – hoogstwaarschijnlijk een verwaarloosbare rol.128 [128] Dat betekent echter niet dat de jacht in de belevingswereld van warrior aristocracies geen rol speelde. Zie bijv. Speidel 2004. Gegevens over vis- en vogelvangst en het verzamelen van weekdieren zijn beperkt beschikbaar; pas sinds het begin van de jaren negentig maken de gehanteerde opgravingstechnieken het mogelijk dit kleine en fragiele materiaal terug te vinden. Vooralsnog lijkt het aandeel van vis, vogels en weekdieren in de voedseleconomie bescheiden, maar niet verwaarloosbaar.129 [129] Prummel 1993(a). Sommige dieren zullen echter in de voorstellingswereld van de kustbewoners een grote rol gespeeld hebben.

Watervoorziening

Tot slot van de beschouwingen over de agrarische economie moet hier aandacht worden besteed aan de watervoorziening. Zoet water is essentieel voor plant, dier en mens, maar op de kwelders een relatief schaars goed. Water werd verzameld in en geput uit dobbes, putten en kuilen. De regionale en chronologische variatie in de watervoorziening is nog niet beschreven.

Samenvattend mogen we stellen dat het tegenwoordig algemeen geaccepteerd is dat het gemengd bedrijf met een sterke nadruk op veeteelt dominant was in het kustgebied.130 [130] Voor de vele achtergronden van dergelijke vormen van mixed farming, zie Woltering 2000-2001, 318-362. Helaas is er echter te weinig archeologisch materiaal beschikbaar om een en ander nader te onderbouwen en uit te werken. Meer off-site onderzoek is aan te bevelen. Via het veroorzakersprincipe is dit echter lastig te financieren.





terug InhoudLiteratuur vooruit