Deel 2 Actuele onderzoeksthema’s
2.1 Dominante onderzoeksthema’sVanwege het bijzondere karakter van het gebied – op de sterk
wisselende getijdengrens van land en water – zal de interactie tussen
mens en natuur in het wadden- en kweldergebied ook in de toekomst centraal
moeten blijven staan. Nog los van de paradigmatische ontwikkelingen in de
archeologische discipline, zal men bij toekomstig onderzoek moeten blijven
streven naar een omvattend en gedetailleerd beeld van de genese en bewoning
van het Noord-Nederlandse kustgebied vanaf de Late Bronstijd tot de periode
van de grootschalige bedijkingen en van de wisselwerking tussen de bewoning
en het agrarisch-economisch gebruik van het gebied enerzijds en ontwikkelingen
op geologisch, pedologisch, klimatologisch, hydrologisch en
ecologisch vlak anderzijds.44 [44] In dit hoofdstuk wordt slechts
incidenteel verwezen naar onderzoek in het aangrenzende Duitse terpengebied,
hoewel het daarmee een natuurlijke eenheid vormt. Het onderzoek in het Duitse
terpengebeid is goed toegankelijk door het werk van Bantelmann (1955); Brandt
(1977; 1979; 1984(a) en (b); 1986; 1987), Haarnagel (1955;1979; 1984), Reichstein
(1984), Zimmermann (bijv. 1999), Uerkvitz (1997) en recentelijk Meier (2001). De verwachting is dat daarin een verklaring gevonden kan worden voor
structurele trends in de bewoningsgeschiedenis. Uiteraard zullen ook de sociaal-politieke
en culturele veranderingen in Noord- en West-Europa in het onderzoek moeten worden
betrokken omdat zij mede bepalend zijn voor maatschappelijke veranderingen
op korte en middellange termijn. De vraag is wat de wetenschappelijke confrontatie
oplevert tussen de landschappen zoals die toegankelijk zijn via enerzijds
de paleogeografie, paleo-ecologie, agrarische economie en archeologie en anderzijds
de landschappelijke, mentale orde van bewoners en buitenstaanders - voor zover
toegankelijk via archeologische en historische bronnen.45 [45] Het betreft hier een thema dat in de (inter-)nationale archeologie
nadrukkelijk in ontwikkeling is (zie bijv. het hoofdstuk De late prehistorie
in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland en het rivierengebied, alsmede Kolen 2005),
maar waarvan de potentie voor Noord-Nederland nog nauwelijks verkend is. Hoe gaf de zee en hoe nam de zee, in het pre- en protohistorische
verleden van Noord-Nederland?
2.1 Dominante onderzoeksthema’s
Een belangrijk deel van het archeologisch veldonderzoek in Noord-Nederland
in de 19de en 20ste eeuw had een verkennend karakter. De vraag daarbij luidde:
welke archeologische verschijningsvormen (terpophogingen, huizen, graven,
aardewerk, etc.) zijn karakteristiek voor bepaalde periodes en bepaalde regio’s?
In feite is deze situatie tot op de dag van vandaag blijven bestaan. In veel
gebieden zijn ontdekkingen van het meest elementaire niveau nog steeds mogelijk. Het verkennende karakter van het archeologisch onderzoek in Noord-Nederland
heeft vraaggeoriënteerd onderzoek nooit in de weg gestaan. In vogelvlucht
kan het als volgt worden omschreven. In de eerste plaats heeft altijd (tot
op de dag van vandaag) de vraag centraal gestaan onder welke natuurlijke condities
bewoning in Noord-Nederland mogelijk werd. Al in de 19de eeuw groeide het
besef dat het niveau van de zeespiegel geen constante vormde, maar aan variatie
onderhevig was. In het vroegste terponderzoek van Van Giffen46 [46] Van Giffen 1910. stond de problematiek van de
zeespiegelstijging centraal, mede naar aanleiding van de catastrofale overstromingen
van 1906 en het werk van de Duitse onderzoeker Schütte. Sindsdien is
sprake van een vrijwel ononderbroken traditie waarin onderzoekers
greep proberen te krijgen op de wisselwerking tussen de natuurlijke ontwikkeling
van het Noord-Nederlandse kwelderlandschap enerzijds en de bewoningsmogelijkheden
en -vormen anderzijds.
In de tweede plaats is in het onderzoek een duidelijke voorkeur te
zien voor de studie van de agrarische economie van de Noordnederlandse kustgemeenschappen.
Ook hier kan verwezen worden naar vroeg werk van de als bioloog opgeleide
Van Giffen. Zijn proefschrift behandelde uiteindelijk alleen de pre- en protohistorische
vondsten van wilde dieren in het terpengebied, maar oorspronkelijk was het zijn bedoeling de gehele terpenfauna te bestuderen.47 [47] Van Giffen 1913. Verschillende leerlingen van
Van Giffen (intussen is sprake van minstens twee opvolgende generaties) zijn
in zijn voetsporen getreden: vanuit het Biologisch-Archaeologisch Instituut
in Groningen verrichtten zij onderzoek naar de agrarische
bestaanswijze in het Noord-Nederlandse terpengebied.48 [48] Goede
voorbeelden zijn Van Zeist 1974 en Cappers 1994.
In de derde en laatste plaats moet hier de aandacht voor de cultuurhistorische
ontwikkeling van het terpengebied genoemd worden. Al ver voor het ontstaan
van geïnstitutionaliseerd archeologisch (veld)onderzoek heeft men de
geschiedenis van de terpengemeenschappen proberen te beschrijven in termen
van de ontwikkeling van stammen, volken en koninkrijken zoals die bekend waren
uit de historische bronnen. Hoewel dergelijke begrippen in ieder tijdsgewricht
door onderzoekers van een nieuwe invulling werden voorzien, is er sprake van
een duurzame onderzoekstraditie die ook voor het onderzoek van de dag van
vandaag relevant is. Het is goed daarbij te vermelden dat deze cultuurhistorische issue uitdrukkelijk
verbonden was met de beide eerder genoemde vraagstellingen. Immers, de geschiedenis
van bevolkingsgroepen en van hun (etnische) eigenheid is, zeker in het betrekkelijk
bijzondere kustgebied, niet los te zien van de bewoningsmogelijkheden en van
de agrarische economie.
Hieronder zal aan de hand van een tiental (deel)thema's de onderzoekstraditie
in het Noordnederlandse kustgebied beschreven worden. Waar mogelijk worden
in betrekkelijk abstracte zin de vragen benoemd die relevant zijn voor toekomstig
onderzoek. In deel 3 worden de besproken thema’s nader uitgewerkt en
geoperationaliseerd.

|