NOaA-lezingen 2010
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is weer gestart met een nieuwe serie lezingen in het kader van de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA). De NOaA-lezingen worden maandelijks, meestal op een donderdagochtend gehouden, in het auditorium van het nieuwe gebouw van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. De lezingen duren 45 minuten, waardoor er veel tijd is voor vragen en discussie. Data, tijden en onderwerpen (onder voorbehoud) kunt u op onderstaande pagina vinden.
Wij zijn voor de lezingen altijd op zoek naar actuele ontwikkelingen in de archeologie en de presentatie van (ver)nieuw(end) onderzoek. Omdat de NOaA-hoofdstukken niet constant worden bijgewerkt, zijn juist de lezingen een goed middel om aan te sluiten bij de 'agendapunten' uit de hoofdstukken. Als u zelf een NOaA-lezing zou willen verzorgen, dan kunt u contact opnemen met mw. T. (Tessa) de Groot: t.degroot@cultureelerfgoed.nl. Ook voor vragen, opmerkingen of aanmeldingen kunt u contact met haar opnemen.
Aanmelden voor de lezingen is in principe niet nodig. Het wordt echter wel op prijs gesteld. Aanmelden kan via:
Tessa de Groot |
Locatie: Auditorium Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Smallepad 5, Amersfoort
|
|
NOaA lezing 20 mei, thema maritieme archeologie
10.00-10.15 Inleiding door Benno van Tilburg (RCE)
10.15-11.00 Maritieme archeologie na de inwerkingtreding van de nieuwe archeologie wetgeving - Peter Stassen (RCE)
11.00-11.45 Maritiem, een benadering vanuit (of in) een internationaal perspectief - Martijn Manders (RCE)
11.45-12.00 Pauze
12.00-12.45 Het Maritieme landschap - Menne Kosian (RCE)
12.45-13.00 Discussie
|
Maritieme archeologie na de inwerkingtreding van de nieuwe archeologie wetgeving, P. Stassen (RCE) |
Traditioneel is de maritieme archeologie, en in het bijzonder de onderwaterarcheologie, het domein geweest van de rijksoverheid. Hierdoor heeft de archeologie van waterbodems en schepen een eigen ontwikkeling heeft doorgemaakt. Deze eigenheid is nog verder versterkt door het technisch en methodisch vaak zeer complexe archeologische onderzoek in het ‘veld’ ofwel zee- of waterbodem.
Door de hedendaagse stand van techniek is archeologisch onderzoek van waterbodems mogelijk geworden. Een eens nagenoeg ontoegankelijk gebied staat nu ter beschikking van de huidige generatie archeologen. De snelle ontsluiting van het onder water gelegen maritieme erfgoed heeft tot gevolg dat er op het inhoudelijke vlak een grote behoefte is aan een solide wetenschappelijke basis en aan een ‘nieuwe’ generatie van gespecialiseerde maritieme onderzoekers.
Deze NOaA-presentatie schets een beeld van de huidige ontwikkelingen binnen de kaders van de nieuwe archeologie wetgeving.
|
 |
Maritiem , een benadering vanuit (of in) een internationaal perspectief, M. Manders(RCE) |
Maritiem archeologisch onderzoek vind plaats op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau. Het volgt hiermee vanzelfsprekend de rol die het water door de eeuwen heen heeft gespeeld in handel, religie, oorlogsvoering en andere intermenselijke contacten. Landen en continenten werden eeuwenlang voornamelijk verbonden door vaarroutes. Langs deze routes ontstonden havens en steden: ontmoetingsplaatsen waar intensieve uitwisseling van goederen en ideeën plaatsvond. Deze eeuwenoude contacten hebben hun sporen nagelaten, aan wal en onder water.
Nederlandse scheepswrakken liggen over de hele wereld verspreid. Franse, Engelse, Zweedse en Duitse schepen liggen in Nederlandse wateren. Al deze objecten kunnen iets vertellen over ons eigen verleden, maar ook wat wij met de anderen deelden.
Wij hebben een verantwoordelijkheid om op een juiste manier het erfgoed dat in onze wateren ligt te beheren en te onderzoeken. Daarnaast hebben we ook een directe verantwoordelijkheid om dit te doen voor het erfgoed waarvan wij nog altijd eigenaar zijn; de VOC en admiraliteitswrakken.
|

Detail van het Ghostwreck, een uitzonderlijk goed bewaard gebleven
17e eeuws Nederlands schip in Zweedse wateren. |
Daarnaast is er nog een veelheid aan archeologische vindplaatsen waarvan de link met Nederland (onomstotelijk) is vast te stellen, maar waarvoor wij als land geen directe juridische verantwoordelijkheid hebben. Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse scheepswrakken waar de staat geen eigenaar van is en die nu veelal onder de directe juridische verantwoordelijkheid van de landen waar deze scheepswrakken zijn gevonden liggen. Deze vindplaatsen bevatten een schat aan informatie over ons eigen verleden. De kennis die kan worden opgedaan met het onderzoek (in gezamenlijkheid met de kuststaat) kan niet worden onderschat. Uiteindelijk is de (maritieme)archeologie een middel om iets te kunnen leren over ons verleden uit materiële (maritieme) overblijfselen, daar zit geen geografisch limiet aan. Daarnaast overstijgen sommige vraagstellingen, maar ook de algehele beheersproblematiek die van het onderwater cultureel erfgoed die van landsgrenzen en individuele belangen.
Waar liggen nu voor Nederland de prioriteiten van onderzoek in het internationaal kader? Is dit slechts op wetenschappelijke kennisvermeerdering gebaseerd? Of heeft ook de politiek hier een (doorslaggevende) stem in? Wat doet Nederland op dit moment op Europees en wereldniveau? Hoe pakken we het aan? Hoe denken anderen daarover? Hebben we ook een idee waar we naartoe willen?
Deze en andere vragen zullen worden beantwoord tijdens de NOaA lezing.
|
Het maritieme landschap, M. Kosian (RCE) |
Wat is het maritieme landschap? Maritiem landschap is een breed begrip. Uiteraard wordt het ‘landschap onder water’, zeg maar het zeeschap ermee bedoeld, maar het houdt niet noodzakelijkerwijs bij de kust op. Ook op scheepvaart gerichte industriële landschappen rekenen we tot maritiem landschap. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Zaanstreek, een landschap dat geheel is ontworpen rondom de toeleveringsindustrie voor de scheepvaart.
In het onderwater erfgoed vinden we uiteraard veel uit dit industriële maritieme landschap, maar ook andersom: veel gebouwen in dit landschap zijn geheel of gedeeltelijk opgebouwd uit hergebruikt scheepshout. Rondkijkend in dit landschap zijn veel resten zichtbaar van scheepsconstructies en –houtbewerking. Ook in andere landschappen, zelfs verder van zee, zijn dergelijke maritieme elementen te vinden, hetzij in fysieke resten, hetzij in ontginningspatronen voor bijvoorbeeld bosbouw ten behoeve van de scheepsbouw.
Een tweede aspect van het maritieme landschap bestaat uit het landschap onderwater. Dit sterk aan verandering onderhevige landschap laat zich het best bekijken via kaarten. Moderne kaarten geven een duidelijk en herkenbaar beeld van wat zich onder water bevindt. Omdat dit zo’n veranderlijk landschap is, is de historische situatie lastiger te vergelijken met de moderne. Veel historische zeekaarten geven een niet direct herkenbaar beeld in moderne ogen. Toch kunnen deze kaarten met moderne technieken aan de moderne gekoppeld worden. Hier zal een korte inleiding over gegeven worden. |
 |
|
NOaA lezing 15 april
programma:
10:00-10:15 uur Inleiding thematiek en sprekers door Michel Lascaris (RCE)
10:15-11.15 uur Wim Hoek (Universiteit Utrecht)- Holocene klimaatverandering en de mens
11:15-11:30 uur Pauze
11:30-12:30 uur Henk Weerts (RCE)- Holocene kustontwikkeling, een functie van klimaatverandering en regionale factoren
12:30-13:00 uur Discussie over het thema
|
|
Holocene zeespiegelstijging, een functie van klimaatverandering en regionale factoren
Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw zijn er voor de kust van de zuidelijke Noordzee vele curves gepubliceerd die de stijging van de zeespiegel in het Holoceen weergeven. Sommige daarvan tonen geprononceerde schommelingen van de zeespiegel, andere zijn monotoon stijgend. Soms is een curve voor een groot gebied opgesteld, maar ook voor kleinere regio’s zijn curves gepubliceerd. Deze lezing, waarin veel recent onderzoek van diverse auteurs wordt gepresenteerd, geeft een overzicht van de factoren die de relatieve stijging van de zeespiegel bepalen. Daarin blijken aan de zuidelijke Noordzeekust altijd regionale tot zelfs lokale factoren een rol te spelen. Hierdoor is het niet mogelijk één curve op te stellen voor de hele kust. Ook het vaststellen van eventuele fluctuaties van de zeespiegel is erg lastig. En tenslotte kan voor de tweede helft van het Holoceen de relatie zeespiegelstijging – transgressie niet 1 op 1 worden gesteld omdat sedimentatieprocessen aan de kust hier eveneens een grote rol bij spelen. |

|
Holocene klimaatverandering en de mens
Ons klimaat verandert, en de oorzaken en gevolgen hiervan worden breed uitgemeten in alle lagen van onze maatschappij. Als we klimaatveranderingen in het verleden bekijken zien we dat de grootschalige klimaatveranderingen tussen koude Glacialen en warme Interglacialen duidelijke sporen hebben achtergelaten in het landschap. Het is niet toevallig dat de overgang van Paleolithicum naar Mesolithicum overeenkomt met de overgang van Glaciaal naar Interglaciaal. Het Holoceen is de huidige interglaciale periode die, op een paar korte koude perioden aan het begin na, als klimatologisch stabiel wordt veronderstelt. Het is daarom niet verwonderlijk dat de invloed van holocene klimaatveranderingen op de mens vaak als onbelangrijk wordt aangemerkt. De lezing geeft een overzicht van klimaatveranderingen die mogelijk meer invloed op de (prehistorische) mens hebben gehad dan tot voor kort werd aangenomen. Dit (her-)opent een ander perspectief op de menselijke bewoningsgeschiedenis van ons land.
|
 |
NOaA lezing 18 februari afgelast
Vanwege ziekte van een van de sprekers kan de NOaA van 18 februari aan staande helaas niet doorgaan. We gaan deze lezing mogelijk verplaatsen naar het najaar.
Meer informatie? t.degroot@cultureelerfgoed.nl
|
|
| |
NOaA-lezing van 2010 Industriële archeologie
18 februari is afgelast wegens ziekte
Industriële archeologie is binnen de archeologische monumentenzorg in Nederland een sterk onderbelicht thema. Om te verkennen wat het belang van dit erfgoed is en wat
onderzoek hiernaar op kan leveren organiseert de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed op donderdag 28 januari een speciale internationale sessie van de NOaA-lezingen (Nationale Onderzoeksagenda Archeologie) met als thema industriële archeologie en industrieel erfgoed.
Frank Meddens, directeur van Pre-construct Archaeology uit Londen, zal een lezing houden over de industriële archeologie in Groot-Brittannië. Onder meer de opgraving van een groot industrieel complex bestaande uit een ijzergieterij en een aardewerkfabriek nabij Glasgow met een oppervlakte van 6 hectare zal hierbij aan bod komen. Frank zal ingaan op de kansen en (on)mogelijkheden die de industriële archeologie biedt.
Het tweede deel van de sessie wordt gevuld met een lezing van Peter Nijhof en van José Schreurs. Peter is senior specialist industrieel en jonger militair erfgoed/weg- en waterbouw bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Hij zal een overzicht geven van 35 jaar monumentenzorg van en onderzoek naar industrieel erfgoed. Daarna zal José, consulent uitvoering monumentenwet bij de Rijksdienst, ingaan op een concreet project van deze dienst waar zij als projectleider heeft opgetreden, namelijk de opgraving van een deel van een industrieel complex op het terrein van de ijzergieterij DRU te Ulft.
Voor meer informatie over deze sessie kunt u contact opnemen met Jeroen Bouwmeester
Het programma:
9.30 – 10.00 ontvangst
10.00 – 10.15 korte inleiding (Jeroen Bouwmeester)
10.15 – 11.15 Frank Meddens - Industrie, bewoning en verdediging; archeologie van het recente verleden in het Verenigd Koninkrijk
11.15 – 11.30 pauze
11.30 – 12.00 Peter Nijhof – Van industriële archeologie naar industrieel Erfgoed in Nederland 1975-2010
12.00 – 12.30 José Schreurs – De oertijd van de DRU
12.30 – 13.00 vragen en discussie
13.00 einde
Locatie: Kinderdijkzaal - Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed - Amersfoort
|
archeologisch onderzoek op de DRU te Ulft
aardewerkovens van de Caledonian Potteries te Glasgow (bron: PreConstruct Archaeology London / F. Meddens) |
|
NOaA lezing 17 december 2009, 10:00-13:00 uur: Graves, Burials and Scenarios
Programme
10:00-10:15 uur Introduction on “Graves, Burials and Scenarios” (Muuk ter Schegget)
10:15-11:15 uur Teresa Cabellos Panadés “Plural graves: Its associated problems and excavation techniques. An example of two Natufian Israeli sites”
11:15-11:30 uur Coffeebreak
11:30-12:30 uur Raphaël Panhuysen “Selection at the cemetery gate, consequences of ancient burial strategies”
12:30-13:00 uur Discussion |
Plural graves: Its associated problems and excavation techniques.An example of two Natufian Israeli sites
Teresa Cabellos,Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
During the excavation of an archaeological site it is not uncommon to come upon what seems to be a grave containing the skeletal remains, more or less commingled, of two or more individuals. Plural graves include a large variety of funerary treatments and even though the archaeological evidence resulting from this kind of graves may seem very similar: a cluster of bones, it may be the result of very different types of deposits. A careful dig together with the application of the conceptual framework of field anthropology is necessary for correctly identifying the type of funerary structure encounter as well as the original conditions in which the burial took place. During the lecture key topics such as the different types of plural graves, the influence of the deposition context during the decomposition process and the importance of a careful excavation and recording system will be addressed.
|

|
Selection at the cemetery gate, consequences of ancient burial strategies
Dr. Raphaël Panhuysen, Amsterdam Archaeological Centre, University of Amsterdam
In the current archaeological practice limitations in funding and resources create a desire to focus excavations on a selection of cemeteries and zones within cemeteries. This raises the question whether there are valid selection criteria for the study of cemeteries. Starting from current research questions the feasibility of selecting skeletal series for examination will be discussed on the basis of recently studied early medieval cemeteries. Topics that will be addressed include historical selection at the cemetery gate, the impact of burial type and decomposition processes. |
 |
|