22 De Middeleeuwen en Vroegmoderne tijd in Zuid-Nederland

 

            home       hoofdstukken       archeoregio's       periodes       thema's             links
lezingen       contact       vlag       

  NOaA 22 > Deel 1 Inleiding

1.2 Onderzoeksgeschiedenis

1.2.3 De periode van ca. 1980 tot 1998 - stadskernen, nederzettingen en de opkomst van vraaggestuurd onderzoek

Omstreeks 1980 was er een belangrijk keerpunt in de geschiedenis van de Zuid-Nederlandse middeleeuwse archeologie. Het onderzoek van kerken viel grotendeels weg. Onderzoeksobjecten boden zich nauwelijks nog aan. Alleen in Maastricht (Sint Servaas) vond in de tweede helft van de jaren ’80 nog een groot onderzoek plaats, uitgevoerd onder leiding van de gemeentelijk archeoloog Panhuysen.26 Enkele kleinere kerkopgravingen werden door de ROB en door stadsarcheologische diensten verricht.27 Voor zover mogelijk werden ook de bij de kerk behorende begravingen fysisch-antropologisch onderzocht.28

 

Opgravingen van kastelen en grafvelden werden voortgezet, maar ook dit aantal was relatief klein. In combinatie met bouwhistorisch onderzoek werd kasteelonderzoek uitgevoerd door de Universiteit Delft (onder ROB-opgravingsverantwoordelijkheid).29 In Tilburg en Eindhoven werd kasteelonderzoek in een stadarcheologische context uitgevoerd.30 In Dongen werd in verschillende campagnes onderzoek verricht door amateurs, de gemeentelijke archeoloog van Tilburg en de ROB.31
Bij het kastelenonderzoek kreeg de materiele cultuur van de tot dan toe onderbelichte vroegmoderne tijd meer en meer aandacht. Publicaties werden vaak in samenwerking met historici geschreven waardoor de archeologische bevindingen in een historische context geplaatst konden worden, zoals bij Gemert, Eindhoven en Helmond.32 In Limburg kreeg de belangstelling voor kastelen een impuls door de activiteiten van de Limburgse Kastelenstichting en een tentoonstelling met bijbehorende publicatie van het Limburgs Museum in Venlo.33
In het grafveldonderzoek bleef de studie naar grafvormen en grafinventaris centraal staan. Daarnaast was er een groeiende aandacht voor sociaal-culturele vraagstellingen en voor het fysisch-antropologische onderzoek van skeletresten uit de grafvelden. Het merendeel van de onderzochte begravingen dateert uit de Merovingische periode.34 Zeldzaam zijn grafvelden uit de 5e en 6e eeuw, waar naast inhumaties ook crematiegraven voorkomen. De locatie Gennep-West is een van de weinige voorbeelden hiervan.35 Incidenteel werden ook jongere begraafplaatsen onderzocht, zoals de al genoemde begraafplaatsen bij kerken.
Onderzoek van plantaardig en dierlijk materiaal nam in deze periode toe.36 Noord-Brabant is zelfs een van de meest intensief onderzochte gebieden van Nederland op het gebied van de archeozoölogie.37
De grootste verandering sinds de late jaren ’70 en de jaren ’80 was het opkomen van grootschalig onderzoek van middeleeuwse nederzettingen. Eerst in de stadskernen, later ook in het landelijk gebied. Tot dusver hadden deze onderzoeksobjecten weinig aandacht gekregen in Zuid-Nederland. Niet zozeer omdat daarvoor bij archeologen het inzicht ontbrak, maar omdat er zich nog weinig mogelijkheden hadden voorgedaan en omdat de archeologische infrastructuur ontoereikend was.
Het stadskernonderzoek kreeg na een lobby van de ROB bij plaatselijke bestuurders een impuls door het aanstellen van gemeentelijke archeologen. In 1978 en daarop volgende jaren werden in Maastricht, ’s-Hertogenbosch, Tilburg, Breda, Eindhoven, Helmond, Sittard, Venlo en Bergen op Zoom gemeentelijke archeologen aangesteld.38 De grote druk op het bodemarchief tengevolge van stadsvernieuwing, de bewustwording van de grote culturele waarde van dat bodemarchief en het besef dat deze problematiek niet door een rijksdienst adequaat behartigd kon worden, waren de oorzaken van deze ontwikkeling. Onderzoek door amateurs, dat ontoereikend was om de erosie van het stedelijk bodemarchief het hoofd te bieden, had in veel plaatsen de geesten rijp gemaakt voor professioneel onderzoek.39 In Maastricht had de opgraving op het Vrijthof de kentering gebracht. Andere plaatsen stelden beleidsambtenaren archeologie aan of gemeentelijke archeologische commissies. In de gemeente Gennep40 en later ook in Roermond41 en Venlo42 leidde dit tot systematisch archeologisch onderzoek en uiteindelijk, zoals in Venlo, tot de aanstelling van een gemeentelijk archeoloog.
In sommige steden werd vanuit een expliciete vraagstelling gewerkt.43 In Maastricht waar het onderzoek een sterke vroegmiddeleeuwse component heeft, stond - zeker in de beginperiode - de vraag naar de continuïteit tussen de Romeinse tijd en de Middeleeuwen centraal.44 In ’s-Hertogenbosch werd al in de jaren ’70 door Janssen het concept van de ‘archeologie van de stad’ ontwikkeld, waarbij het verschijnsel stad als ruimtelijk en sociaal-cultureel fenomeen en het stadswordingsproces onderwerp van onderzoek is.45 Elders ging het meer om het combineren van geschreven bronnen met archeologische gegevens om daardoor de stadsgeschiedenis vollediger te kunnen schrijven. In Tilburg was het archeologisch onderzoek voor het gemeentebestuur een bewust gekozen bijdrage aan het herstel van de cultuurhistorische identiteit van de stad. De opgraving van het kasteel van de Heren van Tilburg moest de door economische malaise getroffen textielstad een deel van zijn verleden terug geven.46
In alle genoemde steden - met uitzondering van Tilburg, waar de functie van gemeentelijk archeoloog in 1984 na afronding van het onderzoek van het kasteel van Tilburg weer is opgeheven - is het onderzoek in de afgelopen jaren geïntensiveerd. Zij het dat sinds 1998 (‘het begin van het Maltatijdperk’) de positie van de gemeentelijk archeoloog soms verschoven is van zelfstandig opgraver naar opdrachtgever aan of kwaliteitstoetser van opgravingsfirma’s.
Hoewel de stadsarcheologie geworteld is in het onderzoek van historische binnensteden, heeft het onderzoek in Zuid-Nederland zich nooit hiertoe beperkt. Door de gemeentelijke archeologen, tot wier ambtelijk werkgebied meestal ook perifere of in recente tijd geannexeerde woonkernen horen, is vanouds onderzoek verricht in dorpskernen en het stedelijk buitengebied. In ‘s-Hertogenbosch is o.a. onderzoek verricht in Engelen.47 In Breda in het uitbreidingsgebied Breda-West.48 Vanuit Tilburg werd gewerkt in Dongen, Berkel-Enschot, Diessen en Hilvarenbeek en vanuit Eindhoven is buurgemeente Helmond en een aanzienlijk deel van de regio onderzocht.49

Grootschalig nederzettingsonderzoek in het landelijk gebied van Zuid-Nederland begon in Noord-Brabant in het begin van de jaren ’80. Een onderzoeksprogramma van de UVA en de VU (het ‘Kempenproject’) met Theuws als leider van de middeleeuwse component van het project reageerde adequaat op de ontginning van het Brabantse platteland ten behoeve van woningbouw en industrie.50 Diverse nederzettingen in oostelijk Brabant (Dommelen, Geldrop, Bladel-Centrum, Bladel Kriekeschoor, Hulsel) werden onderzocht en dit leidde tot meer kennis van de ontwikkeling van huisplattegronden en tot nieuwe inzichten op het gebied van de nederzettingsdynamiek. In het kader van dit onderzoek werden ook voor het eerst akkers en akkerdekken als archeologisch te onderzoeken verschijnselen beschouwd in plaats van te verwijderen bovengrond. Het onderzoek kreeg een theoretische onderbouwing, hetgeen als vernieuwend kan worden beschouwd.51 Deze aanpak was een breuk met eerdere praktijken zoals de ad hoc keuze van de op te graven objecten, de vergrote nauwkeurigheid van onderzoek, en de keuze voor nieuwe objecten zoals dorpskernen. Binnen die projecten was ook geen sprake meer van onderzoek van losse objecten, zoals in de voorafgaande periode. Er was nog wel onderzoek van nederzettingen, kastelen, kerken, en andere landschapselementen, maar in relatie tot elkaar.

In het kader van het Kempenproject werd ook dorpskernarcheologie uitgevoerd, met name in Bergeijk en Dommelen. Het doel was het onderzoeken van de middeleeuwse wortels van de huidige dorpen in relatie tot nederzettingen als die op de Kerkakkers te Dommelen, die buiten de huidige dorpen gelegen waren. Tot dan overheerste de opvatting dat er onder de esdekken geen nederzettingen konden liggen. Beex beschouwde de in het begin van de jaren ’70 bij de opgraving van het urnenveld Sint-Oedenrode-Everse akkers aangetroffen sporen van een nederzetting uit de Volle Middeleeuwen aanvankelijk als recente verstoringen.52 Brabantse historici en historisch-geografen hadden de overtuiging dat de vroege nederzettingen onder de huidige dorpen en gehuchten lagen en dat de kerken geïsoleerd tussen deze in stonden.53 De hypothese dat dit onjuist was en dat bij de kerken nederzettingen moesten liggen, lag ten grondslag aan de opgraving te Dommelen en deze aanname bleek juist.54 Onderzoek in het centrum van Bergeijk bevestigde dit beeld. Hier bleek, net als te Dommelen, dat oudere modellen omtrent de nederzettingsontwikkeling in oostelijk Noord-Brabant onjuist waren. In Bergeijk was van een vroegmiddeleeuwse oorsprong geen sprake.55 Het onderzoek van de diverse nederzettingen mondde uit in sitepublicaties en in samenvattende benaderingen en regiostudies.56 Het leidde tot een toenemende interactie tussen archeologen en historici en tot een aantal regionaal-historische en historisch-geografische studies.57 In Limburg kwam het rurale nederzettingsonderzoek later en meer beperkt van de grond. In Haagsittard (ten oosten van Sittard) werd in 1990 een nederzetting opgegraven, waar de bewoning begon in de IJzertijd en Romeinse tijd en vervolgd werd van de 7e eeuw tot en met de 16e eeuw.58 In Gennep kreeg het laat- en postmiddeleeuwse stadskernonderzoek in 1989-1991 een tegenhanger in de opgraving van een 5e-eeuwse nederzetting in het buitengebied.59 Vanaf 1994 vond onder esdekken bij Weert en Nederweert grootschalig onderzoek plaats door de VU.60 In Venray leidden de aanleg van de Rijksweg 73-Zuid in 1994 en de bouw van een woonwijk in 1996 tot de opgraving van een nederzettingscomplex, dat tot de Vroege Middeleeuwen terug gaat en dat tot de 12e eeuw bewoond is geweest.61 Twee kleine nederzettingen uit de 11e, respectievelijk 12e eeuw werden in Blerick en Grubbenvorst gevonden.62 In twee grote publicaties van Renes over het Limburgse cultuurlandschap worden archeologische en historische gegevens geplaatst in een historisch-geografische context.63 Nederzettingshistorische en cultuurlandschappelijke overzichten van Limburg in Euregionale context werden in het Europa-jaar 1992 door Fehn en Burggraaff en Panhuysen gepubliceerd.64

Een bijzondere vorm van nederzettingsonderzoek is dat van kloosters. Een klooster is een nederzetting met een specifieke religieuze functie. Binnen de bebouwde kom van het dorp Susteren is een klooster opgegraven dat uit het begin van de 8e eeuw dateert.65 Het klooster is opgeheven in 1790, maar pas in de jaren ’50 van de 20e eeuw zijn de laatste muurresten gesloopt. Duizend jaar intensieve bewoning op een klein oppervlak (5000 m2) heeft tot een wirwar van duizenden grondsporen en diverse stenen structuren geleid.66 In stedelijke context zijn o.a. in ’s-Hertogenbosch, Breda en Helmond laatmiddeleeuwse kloosterstichtingen onderzocht.67 Tot het kloostercomplex kunnen ook - zij het dat ze ruimtelijk gescheiden zijn van de centrale vestiging - uithoven gerekend worden. Ook deze zijn object van onderzoek geweest.68

Het onderzoek naar de materiële cultuur verdween na 1980 enigszins in de schaduw van het nederzettingsonderzoek, maar stond desondanks niet stil. Het stadskern- en rurale nederzettingsonderzoek leidde tot een toename van niet alleen anorganisch (vooral aardewerk en metaal), maar ook van organisch materiaal. De bestudering van het organische materiaal leidde tot een toename van de kennis over de voeding en voedseleconomie.69
Van het mobiele materiaal vormde keramiek de grootste categorie. Het aardewerk werd bestudeerd vanuit verschillende invalshoeken: typochronologie, verspreiding en herkomst.70 De invloed van de nederzettingshiërarchie op de consumptie van aardewerk werd in mindere mate bekeken. Materiaal uit beerputten verschafte een bijdrage aan de chronologie van het laat- en postmiddeleeuws aardewerk.71 Overzichten van materiaalcategorieën werden gemaakt door Verhoeven en Groeneweg.72 Mars publiceerde een 18e-eeuwse pottenbakkersoven uit Gennep en classificeerde het daaruit afkomstige aardewerk binnen de Nederrijnse traditie.73 Op beperkte schaal vond materiaaltechnologisch onderzoek plaats, door Brongers en Janssen en De Paepe.74 Carmiggelt en Van den Eynde schonken aandacht aan een andere keramische categorie en publiceerden een tabakspijpenoven uit Breda.75 Organische artefacten uit o.a. Den Bosch, Eindhoven en Maastricht werden respectievelijk door Janssen, De Jong, Dijkman en Ervynck gepubliceerd.76

 

naar boven
Terug    |       Inhoud       Literatuur    |   Verder








 Noten

 

[26] Panhuysen 1991
[27] Janssen 1983 (kerk van Engelen); Stoepker 1988a; Arts 1998; Stoepker in voorbereiding.
[28] Panhuysen 2005.


[29] Bijv. Viersen 1990.
[30] Stoepker 1986; Arts 1992.
[31] Koopmanschap 2005.

 

 


[32] Thelen 2001; Janssen 2001; Janssen 2004; Arts 1992; Arts et. al. 2001; Aarts 2001.
[33] Janssen & Hupperetz 1996.

[34] Bijv. Wagner 1991; Dijkman 2003; Verwers 1996.
[35] Hiddink & Seijnen 1998.
[36] Bijv. Lauwerier et al. 1996.
[37] Lauwerier 2002.

 

 


[38] In deze rij kan ook nog Heerlen genoemd worden. De gemeentelijk archeoloog was hier echter primair conservator van het Thermenmuseum. Later is de opgravingsbevoegdheid van de gemeente Heerlen ingetrokken.
[39] Bijv. in Sittard: Roebroek 1982.
[40] Mars 1991; Schotten 1993; Reuselaars 1993.

 


[41] Schotten 1994a.
[42] Schotten 1992, 1994b, 1995, 2000.
[43] Zie hiervoor ook NOaA-hoofdstuk 24 ‘De stad in de Middeleeuwen en vroegmoderne tijd’
[44] Bakels & Dijkman 2000; Dijkman 1993, 1999; Panhuysen 1984, 1986; Panhuysen & Leupen 1990; Panhuysen & De La Haye 2002; Sablerolles et al. 1997; Theuws 2001, 2005.

 

 

 

 


[45] Janssen 1983, 15.
[46] Stoepker 1986.
[47] Janssen 1983.
[48] Koot & Berkvens 2004.
[49] Arts 2000; Wijdeven & Arts 1999, Arts et al. 2001.

 

[50] Verhoeven & Theuws 1989,
[51] Slofstra et al. 1982. Zie verder § 1.4.

 

 

 

 

 

 

 

[52] Mondelinge mededeling van G. Beex aan F. Theuws tijdens de uitwerking door laatstgenoemde van de middeleeuwse resten van Sint-Oedenrode-Everse akkers..
[53] Kakebeeke 1968; Kakebeeke 1971a; Kakebeeke 1971b; Kakebeeke 1977...
[54] Van Regteren Altena & Theuws 1981.
[55] Theuws 1985; zie ook Theuws 1989.
[56] Onder andere: Theuws, Verhoeven & Van Regteren Altena 1988; Theuws 1988; Van Dierendonck 1989; Bazelmans & Theuws 1990; Roymans & Theuws 1993; Schabbink 1996.

 


[57] Theuws & Bijsterveld 1991, Leenders 1996; Hoppenbrouwers 2000-2001; Bijsterveld 1989; 2000-2001; Van Asseldonk 2003; De Bont 1992, 1993; Renes 1985.
[58] Stoepker 1992.
[59] Heidinga & Offenberg 1992.
[60] Dijkstra 1996; 1998; Hiddink 2005a; 2005b; Roymans, Tol & Hiddink 1998; Tol & van der Mark 1995.
[61] Proos 1997; Schotten in voorbereiding; Spanjer 1997; Stoepker 1997; Stoepker 2000.
[62] Schotten 1990, 1992.
[63] Renes 1988, 1999.
[64] Fehn & Burggraaff 1992; Panhuysen 1992a.
[65] Ook in de IJzertijd en Romeinse tijd werd het kloosterterrein bewoond, maar er is geen continuïteit gebleken tussen de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen.
[66] Stoepker 1992b, 1993, 1997a.
[67] Janssen 1983. Carmiggelt, De Roode & Sanders 1995; Van der Sanden 1981.
[68] Janssen 1983
[69] Pals 1988; Van Haaster 1997, 2003; Van Beurden 2002a, 2002b; De Jong 2001a, 2001b. Zie ook §3.7.
[70] Verhoeven 1993. Zie ook §3.6.
[71] Hupperetz 1994; Hupperetz & Nijhof 1995; Janssen & Nijhof 1999.
[72] Verhoeven 1998; 2003; Groeneweg 1992.
[73] Mars 1991.
[74] Brongers 1983; Janssen & De Paepe 1976.
[75] Carmiggelt & Van den Eynde 1993.
[76] Janssen 1983; De Jong 1992; Dijkman & Ervinck 1998.